Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 28 oktober 2021
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
C-812/19, ECLI:EU:C:2021:196). De Inspecteur miskent dat de door hem aangehaalde arresten (zie 5.1.) betrekking hebben op een discretionaire bepaling (de uitzondering op de vrijstelling van de verhuur van onroerende zaken) waarin de bevoegdheid om aan de toepassing daarvan voorwaarden te verbinden uitdrukkelijk is opgenomen. Zo mogen voorwaarden worden gesteld ter verzekering van een juiste en eenvoudige toepassing van de desbetreffende vrijstellingen en ter voorkoming van alle fraude, ontwijking en misbruik. Ook staat in de richtlijntekst expliciet dat de lidstaten de omvang van het in de bepaling opgenomen keuzerecht mogen beperken, zij het, zo voegt het Hof toe, binnen de grenzen van het Unierecht. Uit de bewoordingen van artikel 11 van Pro de Btw-richtlijn volgt echter dat het lidstaten enkel is toegestaan om in maatregelen te voorzien ter voorkoming van belastingfraude en -ontwijking. De definitie van het Unierechtelijke begrip “fiscale eenheid”, een ondersoort van het Unierechtelijke begrip “belastingplichtige”, is dermate cruciaal om de doelstellingen van de Btw-richtlijn te bereiken, dat de lidstaten op dit punt minder vrijheid toekomt. Het Hof komt tot de conclusie dat uit de richtlijnconforme uitleg van artikel 11 van Pro de Btw-richtlijn niet volgt dat een door de autoriteiten genomen beschikking een constitutief vereiste is.
Proceskosten en griffierecht
Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de teruggaafbeschikking;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
- bevestigt de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen de teruggaafbeschikking;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.496.