ECLI:NL:GHDHA:2022:1001
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en geen schending hoorplicht in hoger beroep
Belanghebbende, huurder van een benedenwoning met tuin, stelde in hoger beroep dat de WOZ-waarde van €162.000 te hoog was, omdat de tuin niet tot zijn gehuurde behoort en de gebruikte referentieobjecten niet vergelijkbaar zouden zijn. Tevens werd een schending van de hoorplicht aangevoerd.
De Heffingsambtenaar stelde dat de tuin wel degelijk bij de woning hoort en dat de waarde is vastgesteld op basis van een systematische vergelijking met drie vergelijkbare woningen, waarbij rekening is gehouden met verschillen in onderhoud en ligging. De hoorzitting vond telefonisch plaats met de gemachtigde van belanghebbende.
Het Hof oordeelde dat de tuin onderdeel is van het te waarderen object en dat de Heffingsambtenaar de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. De gebruikte vergelijkingsobjecten zijn voldoende vergelijkbaar en de hoorplicht is niet geschonden. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €162.000 bevestigd.