Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 9 juni 2022
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Verdragsrechtelijke bepalingen inzake privileges EOB-personeel
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, een medewerker van het Europees Octrooibureau (EOB) met de Belgische nationaliteit en duurzame verblijfstatus in Nederland, maakte bezwaar tegen de belastingheffing over haar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) over het jaar 2016.
Zij voerde aan dat artikel 10, lid 6, van de Zetelovereenkomst in strijd is met het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie en met artikel 45 van Pro het VWEU over het vrije verkeer van werknemers. Tevens stelde zij dat zij ongelijk werd behandeld ten opzichte van andere EOB-medewerkers zonder Nederlandse nationaliteit die fiscaal werden begunstigd.
Het Hof oordeelde dat de vrijstelling van belastingheffing zich beperkt tot het salaris dat door het EOB wordt betaald en dat het box 3-inkomen buiten deze vrijstelling valt. De Zetelovereenkomst is niet in strijd met het Protocol en het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden, omdat de duurzame verblijfstatus door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt toegekend op het moment van indiensttreding. Verder is de situatie van belanghebbende een interne Nederlandse situatie, waardoor artikel 45 VWEU Pro niet van toepassing is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de belastingheffing over het box 3-inkomen bevestigd.