Deze civiele zaak betreft een hoger beroep van [appellant 1] c.s. tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag inzake klachten over etnische profilering bij MTV-controles door de Koninklijke Marechaussee (Kmar). De eisers, waaronder twee individuele appellanten en drie belangenorganisaties, stellen dat de Kmar risicoprofielen gebruikt waarbij etniciteit een rol speelt, wat in strijd is met het discriminatieverbod.
Het hof heeft zich in dit arrest gebogen over de toepasselijkheid van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) in hoger beroep, met name over de ontvankelijkheid van de partijen, de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger en de termijn van drie maanden voor het instellen van vorderingen. Het hof bevestigt dat de belangenorganisaties ontvankelijk zijn en wijst Amnesty International opnieuw aan als exclusieve belangenbehartiger.
Daarnaast oordeelt het hof dat ook de individuele appellanten [appellant 1] en [appellant 2] ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat zij een eigen belang hebben naast de belangenorganisaties. De drie-maandstermijn uit art. 1081c lid 3 Rv geldt niet in hoger beroep, omdat deze bedoeld is voor het instellen van collectieve vorderingen in eerste aanleg.
De zaak wordt aangehouden voor een einduitspraak, waarbij ook een beslissing over de proceskosten van dit incident zal worden genomen.