Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.AEGON Levensverzekering N.V.,
2.[geïntimeerde 2] ,
(De Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven, hierna:) PVH een “
Partnerpensioenregeling” deel uit, die ook van toepassing was op [appellant] en zijn relatie met [geïntimeerde 2] . Deze partnerpensioenregeling bevatte de volgende bepalingen:
“Pensioenreglement B”(hierna: Pensioenreglement B). Dit reglement is ingevoerd in het kader van de overgang van PVH naar
Optas Pensioenen N.V. (hierna: Optas). In art. 1.2 van de
“Overgangsregeling”van Pensioenreglement B (hierna: de Overgangsregeling) is bepaald:
een tijdelijk overbruggingspensioen […]
een ouderdomspensioen en, indien direct voor de gekozen pensioendatum een partnerpensioen verzekerd was, een partnerpensioen […]””
niet langer in bedoelde zin partner van de deelnemer is en schriftelijk door de deelnemer wordt afgemeld bij PVH, verkrijgt de afgemelde gewezen partner een zodanige premievrije aanspraak op partnerpensioen als de deelnemer ten behoeve van die gewezen partner zou hebben verkregen, indien op het tijdstip van de afmelding zijn deelneming zou zijn geëindigd anders dan door overlijden of het bereiken van de gekozen pensioendatum. […]
“De nieuwe OPTAS-regeling”(p.9) is vermeld:
“Keuzes op de pensioendatum”vermeld:
- een verklaring voor recht dat Aegon in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht door zonder juridische grondslag en zonder voorafgaand overleg met [appellant] een bijzonder partnerpensioen toe te kennen aan [geïntimeerde 2] en daarmee in strijd te handelen met de door de rechtsvoorgangers van Aegon bij [appellant] opgewekte verwachtingen,
- primairAegon op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen de beslissing tot afsplitsing van het bijzonder partnerpensioen terug te draaien,
- subsidiairAegon te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan [appellant] door middel van het treffen van een voorziening die ertoe leidt dat zijn huidige echtgenote de in de vordering vermelde bedragen aan tijdelijke en levenslange uitkering ontvangt in het geval [appellant] (voor)overlijdt,
- Aegon te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
1 januari 1998 wordt beëindigd. De zin in de partnerpensioenregeling van PVH dat er geen recht bestaat op een bijzonder partnerpensioen ziet niet op de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een partnerpensioen. De vraag of [geïntimeerde 2] aanspraak kan maken op een bijzonder partnerpensioen moet volgens Aegon dan ook beoordeeld worden aan de hand van de samenlevingsovereenkomst en art. 15.3 van Pensioenreglement B. Ook [geïntimeerde 2] beroept zich op de samenlevingsovereenkomst en art. 15.3 van Pensioenreglement B.
art. 79 Wet Pro RO. In de in r.o. 1.2 geciteerde partnerpensioenregeling van PVH was uitdrukkelijk vermeld dat de regeling geen bijzonder partnerpensioen kende. [geïntimeerde 2] kan een eventueel recht op bijzonder partnerpensioen dus niet ontlenen aan de partnerpensioenregeling van PVH, ook niet via de samenlevingsovereenkomst.
“per 1 januari 1998”premievrije aanspraken op (tijdelijk) partnerpensioen krijgen
“als ware dat een huwelijkspartner, en overigens op de voorwaarden van de tijdelijke partnerpensioenregeling van PVH” (zie r.o. 1.4). Hieruit kan redelijkerwijs – met toepassing van de cao-norm – niet anders worden afgeleid dan dat voor het verkrijgen van bedoelde premievrije aanspraken op (tijdelijk) partnerpensioen per 1 januari 1998 de in de partnerpensioenregeling van PVH genoemde voorwaarden voor het aanspraak hebben op een partnerpensioen van kracht bleven. Wat betreft het bijzonder partnerpensioen was het uitgangspunt van de partnerpensioenregeling van PVH nu juist:
“er bestaat geen bijzonder partnerpensioen”.
1 januari 1998, toen Pensioenreglement B van kracht was geworden en zolang zij nog met [appellant] samenleefde (tot 1 december 2001), op grond van art. 15.3 van Pensioenreglement B en de samenlevingsovereenkomst wel aanspraken op (bijzonder) partnerpensioen is gaan opbouwen, zoals Aegon en [geïntimeerde 2] stellen. Het hof overweegt hierover, bij wijze van voorlopig oordeel, het volgende.
“als de deelnemer ten behoeve van die gewezen partner zou hebben verkregen, indien op het tijdstip van de afmelding zijn deelneming zou zijn geëindigd anders dan door overlijden of het bereiken van de gekozen pensioendatum”. Deze aanspraak op (bijzonder) partnerpensioen uit art. 15.3 sluit naar het voorlopig oordeel van het hof aan bij art. 14.1 (zie r.o. 1.7), waarin is bepaald welke aanspraken de gewezen deelnemer verkrijgt bij beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de gekozen pensioendatum. Dit zijn onder meer
“premievrije aanspraken op partnerpensioen […] voor geval van overlijden van de (gewezen) deelnemer vóór de gekozen pensioendatum”.
“voor het geval hij komt te overlijden vóór de gekozen pensioendatum”,en op art. 11.7, waarin de aftrek van bijzonder partnerpensioen als geregeld in art. 15 is Pro vermeld en dat geldt in geval van overlijden vóór de gekozen pensioendatum.
“Let wel, u bent alleen voor partnerpensioen verzekerd als u vóór de pensioendatum overlijdt. […] Wanneer u met pensioen gaat, kunt u samen met uw partner opnieuw beslissen of u voor uw partner een partnerpensioen wilt verzekeren.”
- verwijst de zaak naar de rol van vier weken na heden voor het nemen van een akte aan de zijde van (eerst) Aegon, dan [appellant] en vervolgens [geïntimeerde 2] , met het doel zoals vermeld in rechtsoverweging 23 van dit arrest;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
A.G. van Marwijk Kooy en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2022 in aanwezigheid van de griffier.