ECLI:NL:GHDHA:2022:2635
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid verzoek teruggaaf BPM wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende verzocht op 2 september 2015 om teruggaaf van BPM voor een geëxporteerde personenauto. De Inspecteur verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de wettelijk gestelde termijn van dertien weken na beëindiging van de tenaamstelling was ingediend. Na diverse procedures stelde de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
Het Hof bevestigde dat de teruggaafregeling niet onder het toepassingsbereik van artikel 110 VWEU Pro valt en dat de termijn van dertien weken niet in strijd is met het Unierecht, met name het doeltreffendheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel. De Inspecteur had ambtshalve de teruggaaf reeds toegekend en uitbetaald, waardoor de vermeende overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding gaf tot vergoeding van immateriële schade.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard en dat het verzoek om vergoeding van proceskosten en immateriële schade niet toewijsbaar was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot teruggaaf BPM bevestigd.