ECLI:NL:GHDHA:2023:1284
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarden galerijflats na bezwaar en hoger beroep
Belanghebbende is eigenaar van twee galerijflats uit 1958, waarvan de WOZ-waarden voor het jaar 2020 respectievelijk op €157.000 en €191.000 zijn vastgesteld door de Heffingsambtenaar van Rotterdam. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die de aanslagen handhaafde, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraken en de waardebepalingen.
Het geschil betrof de juistheid van de WOZ-waarden, waarbij belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld en dat de taxatie in verhuurde staat had moeten plaatsvinden. Ook werden diverse vormfouten en het verzoek tot mediation en inpandige taxaties aangevoerd. De Heffingsambtenaar onderbouwde de waardering met een taxatiematrix gebaseerd op recente verkoopprijzen van vergelijkbare flats in hetzelfde complex.
Het Hof oordeelde dat de waardering overeenkomstig artikel 17 lid 2 Wet Pro WOZ correct was uitgevoerd en dat de Heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan. De verhuurde staat van de flats werd niet meegenomen in de waardebepaling, wat volgens het Hof wettelijk juist is. De verzoeken tot mediation en inpandige taxaties werden afgewezen omdat deze niet verplicht zijn en vrijwillig moeten plaatsvinden. De overige klachten, waaronder vermeende vormfouten en onterechte loonbeslag, konden het oordeel niet beïnvloeden.
Daarmee bevestigde het Gerechtshof de uitspraken van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 15 juni 2023 in het openbaar uitgesproken door A. van Dongen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarden en verklaart het hoger beroep ongegrond.