ECLI:NL:GHDHA:2023:1450
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- H.A.J. Kroon
- I. Reijngoud
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WOZ-waardering parkeerplaatsen en vergoeding immateriële schade
Belanghebbende betwistte de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van parkeerplaatsen op niveau -2 van een parkeergarage, vastgesteld op €1.060.000 voor het jaar 2020. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, met een verlenging van de termijn vanwege de coronapandemie.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de waarde te hoog was vastgesteld en dat de coronapandemie geen bijzondere omstandigheid vormde voor verlenging van de redelijke termijn. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was, mede door een taxatierapport en vergelijkingsobjecten. De keuze van de waarderingsmethode was vrij, en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen gelijke gevallen waren.
Ten aanzien van de redelijke termijn stelde het Hof vast dat de coronapandemie niet als bijzondere omstandigheid geldt omdat partijen niet waren uitgenodigd voor zitting tijdens de sluiting van gerechtsgebouwen. De redelijke termijn was met drie maanden overschreden, waarvoor een vergoeding van €500 werd toegekend. Het Hof vernietigde het deel van de uitspraak van de Rechtbank over de immateriële schadevergoeding en veroordeelde de Heffingsambtenaar tot betaling daarvan en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: WOZ-waarde bevestigd; vergoeding immateriële schade van €500 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.