ECLI:NL:GHDHA:2023:1620
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake belastinginvordering en vergoeding immateriële schade
Belanghebbende werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag BPM en bijbehorende invorderingsmaatregelen, waaronder aanmaningskosten, betekeningskosten en invorderingsrente. Door een systeemfout vervielen de aanmanings- en betekeningskosten, terwijl de invorderingsrente onbetwist bleef.
Belanghebbende stelde bezwaar en beroep in tegen deze kosten en de invorderingsrente. De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd was om over de aanmaning en het dwangbevel te oordelen en verklaarde het beroep tegen de invorderingsrente ongegrond. Tevens wees de rechtbank een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af vanwege het geringe financiële belang en het ontbreken van schade.
In hoger beroep bevestigde het Hof deze uitspraak. Het Hof benadrukte dat de nationale taak- en bevoegdheidsverdeling tussen rechterlijke instanties gerespecteerd moet worden en dat belanghebbende geen effectieve rechtsbescherming is ontzegd. Daarnaast wees het Hof het verzoek om vergoeding van immateriële schade af, mede vanwege de handelwijze van de gemachtigde en het geringe belang van de zaak.
Het Hof zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wees het hoger beroep ongegrond. De uitspraak werd op 29 juni 2023 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep en de verzoeken tot vergoeding af.