Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning en de daarop gebaseerde aanslagen. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep bij het Gerechtshof werd onder meer de vraag behandeld of de waarde te hoog was vastgesteld, en of de heffingsambtenaar de toezend- en hoorplicht had geschonden.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix en vergelijkingsobjecten, waarbij rekening was gehouden met bouwjaar, inhoud, onderhoudstoestand en ligging. Belanghebbende voerde aan dat achterstallig onderhoud onvoldoende was meegenomen en dat zij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had ontvangen. Het Hof oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de onderhoudstoestand was gewaardeerd als onder gemiddeld en de kosten voor herstel waren verdisconteerd.
Ten aanzien van de toezendplicht stelde het Hof vast dat de heffingsambtenaar niet had voldaan aan de verplichting om op verzoek afschriften van bepaalde gegevens, zoals de taxatiematrix en grondstaffel, toe te zenden. Dit was een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De hoorplicht was niet geschonden omdat belanghebbende in de gelegenheid was gesteld mondeling en schriftelijk te reageren, maar geen gebruik maakte van de schriftelijke reactiemogelijkheid. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, verklaarde het hoger beroep ongegrond, maar veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten wegens de schending van de toezendplicht.