Belanghebbende, van Turkse nationaliteit, was sinds 1999 in dienst bij een buitenlands bedrijf en woonde vanaf juni 2018 met haar gezin in Nederland. Haar echtgenoot werkte vanaf april 2018 in Nederland en de kinderen gingen direct naar school in Nederland. Belanghebbende reisde aanvankelijk nog regelmatig naar haar huurwoning in het buitenland, maar had vanaf juni 2018 een duurzame band met Nederland.
Zij verzocht om toepassing van de 30%-bewijsregel voor extraterritoriale werknemers, die door de Inspecteur werd afgewezen omdat zij niet als uit het buitenland aangeworven werd beschouwd. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
Het Hof overwoog dat belanghebbende ten tijde van het aangaan van haar arbeidsovereenkomst in maart 2019 woonachtig was in Nederland, met een duurzame persoonlijke band, ondanks haar verblijfstitels voor beperkte tijd en haar reizen naar het buitenland. Hierdoor voldeed zij niet aan de voorwaarden voor de 30%-bewijsregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.