ECLI:NL:GHDHA:2023:624
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugwerkende kracht 30%-regeling bij termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft een arbeidsovereenkomst gesloten met een Nederlandse werkgever met ingang van 1 december 2019 en vroeg op 31 maart 2020 schriftelijk de toepassing van de 30%-regeling aan met terugwerkende kracht vanaf de datum van indiensttreding. De Inspecteur ontving het verzoek echter pas op 7 april 2020 en kende de regeling toe vanaf 1 mei 2020.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond omdat het verzoek niet tijdig was ingediend volgens artikel 10ei, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de verzenddatum leidend is en dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 6:9, lid 2, van toepassing is, wat het verzoek alsnog tijdig zou maken.
Het Hof oordeelde dat het verzoek pas is gedaan op het moment van ontvangst door de Inspecteur, conform de ontvangsttheorie en jurisprudentie. Artikel 6:9 Awb Pro is niet van toepassing op aanvragen maar op bezwaar- en beroepschriften. Bovendien is het niet toekennen van terugwerkende kracht niet disproportioneel en de coronapandemie vormt geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de beschikking van de Inspecteur bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de Inspecteur bevestigd.