Partijen waren sinds 2007 gehuwd en hebben een minderjarig kind. Het huwelijk werd in 2021 ontbonden. De vrouw verzocht om partneralimentatie van € 2.800 per maand, welk verzoek door de rechtbank was afgewezen. In hoger beroep bevestigde het hof deze afwijzing vanwege grievend gedrag van de vrouw jegens de man, waaronder het benadelen van zijn reputatie bij zijn werkgever.
Het hof overwoog dat de lotsverbondenheid tussen ex-echtgenoten door het gedrag van de vrouw was verbroken, waardoor het recht op partneralimentatie vervalt. De vrouw had onder meer onterechte beschuldigingen geuit en geen gevolg gegeven aan politieonderzoek. Het hof toonde terughoudendheid gezien de lange huwelijksduur en het gezamenlijke kind, maar achtte het gedrag ernstig genoeg.
Daarnaast wijzigde het hof de voorlopige voorzieningen en stelde de voorlopige partneralimentatie met ingang van 3 februari 2022 op nihil. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van de voorlopige voorzieningen werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.