ECLI:NL:GHDHA:2023:939
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na hoger beroep tegen aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1961 met een inhoud van circa 298 m3 en een perceel van ongeveer 147 m². De Heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2019 vast op €363.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof.
In hoger beroep stond centraal of de Heffingsambtenaar alle relevante stukken had overgelegd en of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat onder meer de iWOZ-kaarten van vergelijkingsobjecten ontbraken en dat onvoldoende rekening was gehouden met verschillen in voorzieningen, zoals een gedateerde badkamer en toilet.
Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar voldoende stukken had overgelegd, waaronder recente 3D-metingen van de vergelijkingsobjecten, en dat de iWOZ-kaarten niet van belang waren voor de geschilbeslechting. De vergelijkingsobjecten waren voldoende vergelijkbaar en er was adequaat rekening gehouden met verschillen in voorzieningen en ligging. De WOZ-waarde van €363.000 werd als juist bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Het Hof wees verder proceskostenveroordeling af en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. De uitspraak is op 13 april 2023 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €363.000 bevestigd.