Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 4 juni 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling bij de rechtbank
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning en betwist de WOZ-waarde van € 328.000 vastgesteld voor het kalenderjaar 2020. De Heffingsambtenaar heeft deze waarde onderbouwd met een vergelijkingsmatrix van soortgelijke woningen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de wrakingsverzoeken van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening.
In hoger beroep stelt belanghebbende dat de Rechtbank niet eerlijk heeft geoordeeld en dat de Wet WOZ en de OZB in strijd zijn met het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. Tevens betwist zij de hoogte van de WOZ-waarde. Het Hof oordeelt dat de wrakingsverzoeken terecht niet in behandeling zijn genomen, dat de WOZ-waarde op juiste wijze is vastgesteld en dat de wetgeving niet in strijd is met het EVRM of het evenredigheidsbeginsel.
Het Hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling, ondanks de extra zittingen door wrakingsverzoeken. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 juni 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van € 328.000 wordt bevestigd.