ECLI:NL:GHDHA:2024:116
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde bedrijfswoning en woonhuis met afwijzing vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een bedrijfswoning en een woonhuis waarvan de WOZ-waarden voor 2020 door de Heffingsambtenaar zijn vastgesteld. Tegen deze waardebepalingen en de daarop gebaseerde aanslagen is bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Belanghebbende stelde tevens een verzoek in voor vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, dat eveneens werd afgewezen.
In hoger beroep betwist belanghebbende dat de waarde van de bedrijfswoning en het woonhuis correct is vastgesteld en vraagt hij alsnog vergoeding van immateriële schade. Het Hof beoordeelt dat de Heffingsambtenaar de waarde van de bedrijfswoning op basis van een vergelijkingsmatrix met drie objecten in de gemeente Alphen aan den Rijn voldoende heeft onderbouwd, waarbij alle vergelijkingsobjecten als voldoende vergelijkbaar worden beschouwd. De waarde van het woonhuis is gebaseerd op het eigen aankoopbedrag van belanghebbende, wat gezien de korte periode tot de waardepeildatum als beste indicatie wordt gezien.
Het Hof wijst de stellingen van belanghebbende die niet concreet zijn onderbouwd af en bevestigt dat de WOZ-waarden niet te hoog zijn vastgesteld. Tevens wordt het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen, omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan het procesgedrag van de gemachtigde van belanghebbende is toe te rekenen. De volmachtregeling verhindert dat een vergoeding aan belanghebbende zelf toekomt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarden blijven ongewijzigd; vergoeding immateriële schade wordt afgewezen.