Belanghebbende, gebruiker van een horecagelegenheid met een waterskibaan, betwistte de WOZ-waarde voor 2021 die was vastgesteld op € 641.000. De Heffingsambtenaar baseerde de waardering op de gecorrigeerde vervangingswaarde, rekening houdend met een coronakorting van 10% op de meeste onderdelen. De Rechtbank wees het beroep af en weigerde immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
In hoger beroep bevestigde het Hof dat de waardering volgens de geldende taxatiewijzers correct was en dat de coronakorting adequaat was toegepast. Belanghebbende had onvoldoende onderbouwing voor een hogere korting en weigerde gevraagde huurcijfers te verstrekken. Het verschil in waarde werd vooral veroorzaakt door verschillen in grondwaardering en waterperceel.
Het Hof oordeelde dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure was overschreden met zeven maanden. De Rechtbank had ten onrechte de immateriële schadevergoeding geweigerd omdat belanghebbende de vergoeding aan zijn gemachtigde had gecedeerd. Het Hof kende daarom een schadevergoeding van € 1.000 toe, waarvan € 286 voor rekening van de Heffingsambtenaar en € 714 voor de minister van Justitie en Veiligheid.
Daarnaast werden proceskosten en griffierechten toegekend aan belanghebbende, deels te dragen door de Heffingsambtenaar en deels door de minister. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft en bevestigd voor het overige.