ECLI:NL:GHDHA:2024:1800
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingrente van minimaal 4% niet in strijd met EVRM en bestuursrecht
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte belastingrente van €7.674 over de periode 1 januari 2017 tot 16 december 2021, opgelegd door de Inspecteur na correctieberichten loonbelasting 2016.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof Den Haag bevestigde dit in hoger beroep. Het Hof oordeelde dat het minimumpercentage van 4% belastingrente, zoals opgenomen in artikel 30hb AWR en het Besluit belasting- en invorderingsrente, voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is en binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt.
De rechtbank en het Hof verwierpen de stellingen dat de belastingrente een individuele en buitensporige last vormt, een strafrechtelijke sanctie is, of in strijd is met het EVRM, EU Handvest of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het Hof benadrukte dat de belastingrente uitsluitend afhankelijk is van tijdsverloop en belastingbedrag, en niet van verwijtbaarheid. Ook werd gewezen op de tijdelijke verlaging van het rentepercentage vanwege COVID-19 en de terugkeer naar het oude regime. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat het minimumpercentage van 4% belastingrente niet in strijd is met het EVRM, EU Handvest en bestuursrecht en verklaart het hoger beroep ongegrond.