Belanghebbende is eigenaar van een herenhuis uit 1905 dat in 2019 brand- en mogelijk funderingsschade opliep. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2021 vast op €1.394.000, gebaseerd op een taxatierapport met vergelijkingsobjecten en correcties voor onderhoud en schade.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en dat de waarde te hoog was vanwege de omvang van de schade.
Het Gerechtshof oordeelde dat de rechtbank voldoende rekening had gehouden met de slechte staat van de woning en de brandschade door correcties in de waardering. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd over de omvang van de schade en herstelkosten. De stelling dat de woning slechts de helft waard zou zijn wegens onbewoonbare etages faalde eveneens.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.