ECLI:NL:GHDHA:2024:2110
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake WOZ-waarde kantoorruimte en schending toezendverplichting
Belanghebbende, gebruiker van een kantoorruimte, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer. De waarde was vastgesteld op € 850.000 voor het kalenderjaar 2021. Na ongegrond verklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar en de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in.
Belangrijke discussiepunten betroffen de schending van de toezendverplichting op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, het niet volledig overleggen van stukken conform artikel 8:42 Awb Pro, en het gebruik van een onjuist brutovloeroppervlak in de matrix bij de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar pas laat een nadere onderbouwing van de waarde verstrekte en dat dit het instellen van beroep uitlokte.
Het hof oordeelde dat hoewel niet alle onderbouwingen in de bezwaarfase waren verstrekt, dit niet leidde tot een gegrond hoger beroep omdat belanghebbende dit niet tijdig had aangevoerd en voldoende gelegenheid had gehad om te reageren op de nieuwe onderbouwing in de beroepsfase. Ook het onjuist vermelde brutovloeroppervlak was belanghebbende al bekend en vormde geen reden voor beroep. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en dat de heffingsambtenaar in beroep een andere onderbouwing mocht geven.
Het hof verwierp de stelling dat de rechtbank artikel 8:42 Awb Pro had moeten toepassen om ontbrekende stukken op te vragen, omdat belanghebbende zelf over de matrix beschikte en deze niet van belang was voor het geschil bij de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.