ECLI:NL:RBNHO:2020:8608
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning en motivering uitspraak op bezwaar
In deze zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een vrijstaande woning met garage en serre op de waardepeildatum 1 januari 2018 centraal. Eiser betwist de waarde van € 827.000 die door verweerder is vastgesteld voor het kalenderjaar 2019 en voert onder meer aan dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd en dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals de grondstaffels, zijn toegezonden.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de gebruikte grondstaffel voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage heeft gelegd, maar niet heeft voldaan aan de verplichting om op verzoek afschriften van de stukken toe te zenden. Desondanks oordeelt de rechtbank dat eiser niet is benadeeld, omdat de gegevens in de beroepsfase voldoende kenbaar zijn geworden en het beroep niet achterwege zou zijn gebleven.
Verder heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, onder meer door een waardematrix en correcties op referentie-objecten. De rechtbank vindt de motivering van de uitspraak op bezwaar deugdelijk en voldoende inzichtelijk. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar wordt in stand gelaten.