ECLI:NL:GHDHA:2024:2240
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2022 is vastgesteld op €1.147.000. Tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslag is bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde maar de heffingsambtenaar veroordeelde tot een beperkte proceskostenvergoeding wegens schending van de toezendverplichting volgens artikel 40 Wet Pro WOZ.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, met name over de toepassing van artikel 6:22 Awb Pro bij het passeren van het gebrek en de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het hof oordeelt dat het niet tijdig verstrekken van indexeringscijfers inderdaad een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ vormt, maar dat dit gebrek terecht is gepasseerd omdat belanghebbende niet is benadeeld.
Verder wijst het hof het beroep af dat de proceskostenvergoeding te laag zou zijn, omdat de zaak naar haar aard licht van gewicht is en de rechtbank de wegingsfactor correct heeft toegepast. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De heffingsambtenaar wordt niet in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.