ECLI:NL:GHDHA:2024:2241
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schending toezendverplichting en proceskostenvergoeding in WOZ-waardezaak
Belanghebbende, eigenaar van een vrijstaande woning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar woning die was vastgesteld op €1.167.000 voor het jaar 2022. De Heffingsambtenaar handhaafde de beschikking en de aanslag onroerendezaakbelasting. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar veroordeelde de Heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten vanwege een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, omdat de indexeringscijfers niet tijdig waren verstrekt.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat deze schending niet met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd en dat de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld. Het Hof oordeelde dat artikel 6:22 Awb Pro wel toepasselijk is en dat de schending niet tot vernietiging van de beschikking leidt omdat belanghebbende niet is benadeeld. Tevens bevestigde het Hof dat de Rechtbank het gewicht van de zaak juist heeft ingeschat als 'zeer licht' met een wegingsfactor van 0,25, passend bij de geringe complexiteit en het beperkte belang.
Het Hof wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, inclusief de proceskostenveroordeling. Er vond geen mondelinge behandeling plaats en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad. De zaak betreft een bestuursrechtelijk geschil over de waardering van een woning en de naleving van informatieverplichtingen door het bestuursorgaan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.