ECLI:NL:GHDHA:2024:2242
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schending toezendverplichting en proceskostenvergoeding in WOZ-waarde geschil
Belanghebbende, eigenaar van een woning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting. De rechtbank verlaagde de waarde en kende een vergoeding toe vanwege schending van de toezendverplichting op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe om het gebrek te passeren omdat belanghebbende niet benadeeld was.
In hoger beroep betwistte belanghebbende deze passering en de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het hof oordeelde dat de passering van het gebrek terecht was en dat de rechtbank het gewicht van de zaak correct had vastgesteld op 'zeer licht' met een wegingsfactor van 0,25.
Het hof verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde dat de proceskostenvergoeding passend is gezien het formeelrechtelijke karakter van het geschil en het geringe belang. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.