ECLI:NL:GHDHA:2024:2244
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake WOZ-waarde en proceskostenvergoeding
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2022 is vastgesteld op €327.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ constateerde vanwege het niet tijdig verstrekken van indexeringscijfers, maar dit gebrek werd gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro. De rechtbank kende een proceskostenvergoeding toe met een wegingsfactor van 0,25 vanwege het lichte gewicht van de zaak.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank en voerde aan dat de schending van de toezendverplichting niet gepasseerd had mogen worden en dat de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld. Het Gerechtshof oordeelde dat de rechtbank terecht het gebrek had gepasseerd omdat belanghebbende niet benadeeld was en dat de toegepaste wegingsfactor passend was gezien het geringe belang en de eenvoud van de zaak.
Het Hof verwierp de stellingen van belanghebbende en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, inclusief de proceskostenvergoeding. Er vond geen mondelinge behandeling plaats en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De uitspraak is op 16 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.