Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 3 januari 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
€ 180.000.
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de box 3-heffing 2020, stellende dat het forfaitaire rendement te hoog was en dat hij een verlies leed op zijn participatie in een beleggingsclub. De Rechtbank wees het beroep af omdat belanghebbende geen bewijs leverde van het werkelijk behaalde rendement, hetgeen vereist is volgens het Kerstarrest van de Hoge Raad.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Den Haag deze uitspraak. Het hof overwoog dat het werkelijk behaalde rendement bepalend is voor de heffing en dat ongerealiseerde waardestijgingen niet tot het werkelijke rendement behoren. Belanghebbende kon geen inzicht geven in het resultaat van de beleggingsclub, waardoor het forfaitaire rendement bleef gelden.
Ook oordeelde het hof dat de box 3-heffing geen individuele en buitensporige last vormde, mede gelet op het aanzienlijke vermogen van belanghebbende en het ontbreken van bewijs dat hij moest interen op zijn vermogen. De aanslag werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de box 3-heffing 2020 bevestigd.