Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 23 oktober 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Indexering
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft een hoger beroep over de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning en de proceskostenvergoeding na een eerdere uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard wegens schending van artikel 40 Wet Pro WOZ omdat de heffingsambtenaar de gehanteerde indexering niet inzichtelijk had gemaakt, maar de WOZ-waarde in stand gelaten. Tevens werd een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In het hoger beroep betwistte de heffingsambtenaar de vergoeding van immateriële schade met het argument dat belanghebbende deze vergoeding vooraf aan zijn gemachtigde had overgedragen. Het Hof oordeelde dat dit niet uitsluit dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden en bevestigde de toekenning van de vergoeding. Daarnaast betwistte belanghebbende de vermindering van de proceskostenvergoeding door de rechtbank. Het Hof overwoog dat de vermindering terecht was omdat het beroep slechts gedeeltelijk gegrond was en de schending van artikel 40 Wet Pro WOZ een formeel punt van ondergeschikt belang betrof.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van het incidentele hoger beroep. Beide hoger beroepen werden ongegrond verklaard. De uitspraak bevat tevens een uitgebreide toelichting op de toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het principale en incidentele hoger beroep ongegrond en veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van het incidentele hoger beroep.