Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 28 februari 2024
de erven [X] te [Z] , belanghebbenden,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
€ 310
€ 780
€ - 361
€ 310 € 300
€ 780 € 3.124
€ - 360 € 364
Geschil
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbenden, de erven van de overleden erflaatster, stelden in hoger beroep dat zij recht hadden op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten, waaronder vervoerskosten en batterijkosten voor een gehoortoestel, en dat het hoorrecht was geschonden. De Inspecteur van de Belastingdienst had deze aftrekposten grotendeels afgewezen en de rechtbank had de beroepen over 2016 en 2017 ongegrond verklaard, maar het beroep over 2018 gegrond verklaard met toekenning van een immateriële schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de vervoerskosten niet aannemelijk waren gemaakt als rechtstreeks gevolg van ziekte of invaliditeit en dat het hoorrecht niet was geschonden omdat belanghebbenden meerdere keren waren uitgenodigd voor een hoorgesprek, maar niet reageerden of dit weigerden. Tevens werd het motiveringsbeginsel niet geschonden en was er geen sprake van leeftijdsdiscriminatie.
In hoger beroep hebben belanghebbenden geen nieuwe feiten of argumenten aangevoerd die de uitspraak van de rechtbank zouden kunnen wijzigen. Het Gerechtshof sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt de uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbenden geen recht hebben op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten en wijst de immateriële schadevergoeding toe zoals door de rechtbank vastgesteld.