De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige kind. De ondertoezichtstelling was laatstelijk verlengd tot 14 oktober 2023. De vader kwam op 8 januari 2024 in hoger beroep tegen de bestreden beschikking.
Het hof stelde ambtshalve de ontvankelijkheid van het verzoek aan de orde, omdat de ondertoezichtstelling op 14 oktober 2023 van rechtswege was geëindigd. Gelet op vaste rechtspraak en een arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2021 is verlenging van een ondertoezichtstelling na het einde daarvan niet mogelijk.
Daarom verklaarde het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep en kwam het niet toe aan inhoudelijke beoordeling. De gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming hebben de mogelijkheid om een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen, wat ook ter zitting werd bevestigd.
De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag op 17 april 2024.