ECLI:NL:GHDHA:2025:1110
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep tegen te hoge waardering
Belanghebbende is eigenaar van een onzelfstandige woning uit 1919 in Rotterdam, waarvan de WOZ-waarde voor 2022 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op € 373.000. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de woning maximaal € 315.000 waard is. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de Rechtbank Rotterdam, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Het Gerechtshof heeft het taxatierapport van de heffingsambtenaar en dat van belanghebbende beoordeeld. De heffingsambtenaar gebruikte een systematische vergelijkingsmethode met drie vergelijkbare woningen, waarbij verschillen in ligging, bouwjaar en gebruiksoppervlakte werden meegenomen. De rechtbank en het hof oordeelden dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, ondanks enkele correcties in de m²-prijzen.
Belanghebbende voerde aan dat bepaalde stukken, zoals bouwtekeningen en iWOZ-rapporten, niet waren overgelegd en dat de motivering van de beschikking ondeugdelijk was. Het hof oordeelde dat deze stukken niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren, tenzij de heffingsambtenaar deze heeft gebruikt, wat hier niet het geval was. Ook was het hoorverslag identiek aan de uitspraak op bezwaar, zodat geen motiveringsgebrek bestond.
De waarde van de woning is vastgesteld conform artikel 17 lid 2 Wet Pro WOZ, als de prijs die een meestbiedende koper zou betalen. Het hof vond dat de heffingsambtenaar dit voldoende aannemelijk had gemaakt. De stellingen van belanghebbende over onderhoud, dakterraswaarde en indexering konden het oordeel niet veranderen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van € 373.000 blijft gehandhaafd.