ECLI:NL:GHDHA:2025:1231

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
1 juli 2025
Zaaknummer
BK-24/862
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanmaningskosten en tijdigheid van bezwaar tegen aanslagen onroerendezaakbelastingen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 24 juni 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de aanmaningskosten die aan belanghebbende zijn opgelegd door de Invorderingsambtenaar van de Gemeente Den Haag. De belanghebbende had voor het belastingjaar 2023 aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, rioolheffing en afvalstoffenheffing ontvangen, maar had deze niet tijdig betaald. De Invorderingsambtenaar stuurde een aanmaning en bracht aanmaningskosten in rekening. Belanghebbende stelde dat hij tijdig bezwaar had gemaakt tegen de aanslagen, maar het Hof oordeelde dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat het bezwaar tijdig ter post was bezorgd. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de aanmaningskosten terecht in rekening waren gebracht, en het Hof bevestigde deze uitspraak. Belanghebbende had ook een beroep op betalingsonmacht gedaan, dat werd toegewezen, maar dit had geen invloed op de aanmaningskosten. Het Hof concludeerde dat de Invorderingsambtenaar de aanmaningskosten terecht had opgelegd en dat het hoger beroep ongegrond was.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/862

Uitspraak van 24 juni 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de invorderingsambtenaar van de Gemeente Den Haag, de Invorderingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 augustus 2024, nummer SGR 23/3663.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor het belastingjaar 2023 aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing opgelegd voor een totaalbedrag van € 925,64 (de aanslagen).
1.2.
De Invorderingsambtenaar heeft belanghebbende een aanmaning gestuurd, omdat belanghebbende de aanslagen niet binnen de gestelde termijn heeft betaald. Voor het verzenden van de aanmaning is aan belanghebbende op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) bij beschikking een bedrag van € 18 aan aanmaningskosten in rekening gebracht (de kostenbeschikking).
1.3.
De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de kostenbeschikking ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is geen griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is geen griffierecht geheven. De Invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 13 mei 2025. De Invorderingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is, met bericht van verhindering en zonder verzoek om uitstel van de zitting, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
De aanslagen zijn gedagtekend 10 februari 2023. De uiterste betaaldatum van de aanslagen was 24 maart 2023. De aanslagen zijn niet voor de uiterste betaaldatum voldaan.
2.2.
De aanmaning en de kostenbeschikking zijn gedagtekend 1 april 2023.
2.3.
Belanghebbende heeft met dagtekening 3 april 2023, door de Invorderingsambtenaar op 5 april 2023 ontvangen, bezwaar gemaakt tegen de kostenbeschikking (het bezwaarschrift tegen de kostenbeschikking). Als bijlage bij het bezwaarschrift tegen de kostenbeschikking heeft hij een kopie van een brief met dagtekening 20 maart 2023 aan de heffingsambtenaar gevoegd, waarin hij bezwaar maakt tegen de aanslagen (het bezwaarschrift tegen de aanslagen). De envelop waarin het bezwaarschrift tegen de kostenbeschikking is verzonden, is gestempeld met een poststempel met de datum 4 april 2023.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Invorderingsambtenaar als verweerder:
“5. De rechtbank stelt voorop dat voor het indienen van een bezwaarschrift een termijn geldt van zes weken op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
6. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9 Awb op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift met de gewone post – dat wil zeggen door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf – wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.
7. In het onderhavige geval is de dagtekening van de aanslag 10 februari 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending daarvan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 24 maart 2023. Nu het bezwaarschrift van belanghebbende pas op 4 april 2023 – dus buiten de termijn – is gepost, is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend gelet op wat onder 6 is overwogen. De stelling van belanghebbende dat hij al op 20 maart 2023, dus vóór het einde van de bezwaartermijn, bezwaar heeft gemaakt en dat het hem niet kan worden verweten dat de gemeente dit niet heeft ontvangen, kan hem niet baten. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de invorderingskosten terecht in rekening gebracht en is het beroep ongegrond verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Invorderingsambtenaar aan belanghebbende terecht de aanmaningskosten in rekening heeft gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Invorderingsambtenaar bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de kostenbeschikking.
4.3.
De Invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Beroep op betalingsonmacht griffierecht
5.1.
Belanghebbende heeft in reactie op de ontvangst van de nota griffierecht een beroep op betalingsonmacht voor voldoening van het griffierecht gedaan. Een beroep op betalingsonmacht wordt toegewezen indien de betreffende rechtzoekende aannemelijk maakt dat – op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort – het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 95% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. De periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld, vangt aan nadat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort.
5.2.
Uit de specificatie die belanghebbende bij het op 28 november 2024 ingekomen formulier betalingsonmacht heeft gevoegd, blijkt dat belanghebbende in oktober 2024 netto inkomsten van in totaal € 983,46 heeft ontvangen. Dit is minder dan 95% van de maximale bijstandsnorm. Belanghebbende heeft voorts verklaard dat hij niet over vermogen beschikt. Het beroep op betalingsonmacht wordt toegewezen.
Aanmaningskosten
5.3.1.
Ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet geschiedt de heffing en invordering van de in de aanslagen gevorderde belastingen met toepassing van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) en de Kostenwet.
5.3.2.
Ingevolge artikel 11 IW 1990 maant de ontvanger een belastingschuldige die niet binnen de gestelde termijn betaalt, schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen. Het primaire oogmerk van de aanmaning is de schuldenaar in de gelegenheid te stellen alsnog de vordering te voldoen. De schuldenaar wordt tevens gewaarschuwd voor mogelijke invorderingsmaatregelen (vgl. Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 58).
5.3.3.
Voor het verrichten van de invorderingswerkzaamheden worden ingevolge artikel 1 Kostenwet kosten in rekening gebracht aan degene die niet tijdig heeft betaald. Voor het verzenden van een aanmaning tot betaling is op grond van artikel 2 Kostenwet (tekst 2023) verschuldigd € 18 bij een gevorderde som van € 454 of meer.
5.4.1.
Belanghebbende stelt primair dat de aanmaningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht omdat hij tijdig, namelijk op 20 maart 2023, bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen. Subsidiair stelt hij dat sprake is van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
5.4.2.
De Invorderingsambtenaar stelt dat het bezwaarschrift tegen de aanslagen de heffingsambtenaar niet eerder heeft bereikt dan als bijlage bij het bezwaarschrift tegen de kostenbeschikking, dat op 4 april 2023 ter post is bezorgd. Het bezwaarschrift tegen de aanslagen is daarmee volgens de Invorderingsambtenaar eerst na afloop van de bezwaartermijn ontvangen. De in geding zijnde aanmaningskosten zijn derhalve terecht in rekening gebracht, aldus de Invorderingsambtenaar.
5.5.1.
Ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet in verbinding met artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bekendmaking van besluiten geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.
5.5.2.
De termijn voor indiening van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 6:7 Awb zes weken. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn door de heffingsambtenaar is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift ook tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Dit volgt uit artikel 6:9, lid 1 en lid 2, Awb. Volgens artikel 6:11 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5.6.
Vast staat dat de aanslagen zijn gedateerd op 10 februari 2023. Niet gesteld of gebleken is dat de dag van dagtekening van de aanslagen is gelegen vóór de dag van bekendmaking. De bezwaartermijn vangt daarom aan op 11 februari 2023 en eindigt op 24 maart 2023.
5.7.
Beoordeeld moet worden of aannemelijk is dat het bezwaarschrift tegen de aanslagen tijdig ter post is bezorgd, dat wil in dit geval zeggen uiterlijk op 24 maart 2023. Als dat het geval is, dient nog beoordeeld worden of de heffingsambtenaar dit bezwaarschrift niet later dan een week na 24 maart 2023 heeft ontvangen.
5.8.
Het bezwaarschrift tegen de aanslagen is gedateerd op 20 maart 2023. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van de envelop waarmee dit bezwaarschrift, als bijlage bij het bezwaar tegen de kostenbeschikking, is verzonden. Blijkens het daarop geplaatste poststempel is de envelop op 4 april 2023 ter post bezorgd. De laatstgenoemde datum ligt buiten de bezwaartermijn.
5.9.
De indiener van een bezwaarschrift draagt het risico dat zijn geschrift de geadresseerde niet (tijdig) bereikt, wanneer dit niet aangetekend is verzonden en ander bewijs van tijdige verzending ontbreekt. Belanghebbende heeft geen bewijs bijgebracht waarmee hij aannemelijk maakt dat het bezwaarschrift tegen de aanslagen uiterlijk op 24 maart 2023 ter post is bezorgd. De enkele stelling van belanghebbende dat hij het bezwaarschrift tegen de aanslagen op 20 maart 2023 heeft verzonden, is onvoldoende om aan te nemen dat dit bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd. Ook anderszins heeft belanghebbende de tijdige terpostbezorging van het bezwaarschrift tegen de aanslagen niet aannemelijk gemaakt. Dit leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat belanghebbende het bezwaarschrift tegen de aanslagen tijdig heeft ingediend.
5.10.
Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is (artikel 6:11 Awb). Belanghebbende heeft niets aangevoerd op grond waarvan verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zou kunnen worden aangenomen.
5.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Invorderingsambtenaar de aanmaningskosten terecht in rekening heeft gebracht.
Kwijtscheldingsverzoek
5.12.
Voor zover belanghebbende verzoekt om kwijtschelding van de aanslagen, geldt dat het onderhavige hoger beroep slechts betrekking heeft op de aanmaningskosten. Het Hof wijst ten overvloede erop dat de belastingrechter niet bevoegd is om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het al dan niet toewijzen van een kwijtscheldingsverzoek.
Slotsom
5.13.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, H.A.J. Kroon en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen R.A. Bosman
De beslissing is op 24 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.