ECLI:NL:GHDHA:2025:1806
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen WOZ-waarden winkelpanden en griffierechtenheffing
Belanghebbende, eigenaar van drie winkelpanden, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden en de daarop gebaseerde onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. De Heffingsambtenaar had de waarden vastgesteld op respectievelijk €4.000.000, €760.000 en €7.850.000. Na afwijzing van de bezwaren door de Heffingsambtenaar en de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank.
In het hoger beroep stond centraal of de Heffingsambtenaar de toezendplicht ex artikel 40, lid 2, Wet WOZ had geschonden door niet alle onderliggende gegevens volledig te verstrekken, en of het motiveringsbeginsel was nageleefd. Tevens werd de hoogte van de griffierechten betwist. Het Hof overwoog dat de Heffingsambtenaar voldoende gegevens had verstrekt en inzage had geboden, en dat de Rechtbank terecht had geoordeeld dat geen sprake was van samenhangende besluiten waardoor driemaal griffierecht geheven mocht worden.
Het Hof verwierp het beroep van belanghebbende, oordeelde dat het motiveringsbeginsel niet was geschonden en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.