Uitspraak
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Het Hof heeft dit standpunt in zoverre gevolgd, dat naar het oordeel van het Hof enkel voor een van die twee auto’s (hierna: auto 2) een gedeeltelijke teruggaaf van de voldane bpm op die grond is geboden. Het Hof heeft het hoger beroep om die reden gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover deze betrekking hebben op het voor auto 2 voldane bedrag aan bpm, en dat bedrag aan bpm verminderd.
De in laatstbedoelde arresten weergegeven uitzonderingssituatie doet zich naar het oordeel van het Hof in dit geval voor omdat belanghebbende toepassing van artikel 16a van de Wet pas in hoger beroep heeft aangevoerd, terwijl belanghebbende, op wie te dezen naar het oordeel van het Hof de stelplicht en de bewijslast rust, dit verzoek al eerder had kunnen doen en belanghebbende niet verder heeft toegelicht waarom het verzoek eerst in hoger beroep is gedaan.
3.Beoordeling van de middelen
Of belanghebbende voor auto 2 recht heeft op toepassing van een eerder geldend, lager tarief aan bpm, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of ter zake van de registratie van die auto in het Nederlandse kentekenregister niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog te zijn vervat in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van registratie in de handel zijn. Voor die beoordeling komt het erop aan of het verschil tussen enerzijds het voor de registratie van de personenauto te heffen bedrag aan bpm en anderzijds het restbedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op gelijksoortige in Nederland gebruikte motorrijtuigen, uitsluitend kan worden teruggevoerd op toepassing van artikel 16a van de Wet. Dat doet zich voor indien op het tijdstip van de registratie van - in dit geval - auto 2, in Nederland gebruikte motorrijtuigen in de handel waren die (i) gelijksoortig zijn aan auto 2, (ii) een gelijke handelsinkoopwaarde hebben, (iii) in de maand januari 2014 voor het eerst op de weg in Nederland zijn toegelaten, en (iv) ter zake waarvan bpm is geheven naar het in 2013 geldende tarief. [7]
,dan wel een ander onrechtmatig overheidshandelen dat voor rekening van de Inspecteur moet komen zoals het geval was in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603. Het vorenstaande brengt mee dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de door het Hof gelaste vermindering van de verschuldigde bpm voor auto 2 niet het gevolg is geweest van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zodat toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb niet aan de orde is. Middel IX faalt in zoverre.
Indien de rechter oordeelt dat de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelwijze van de belanghebbende en om deze reden beslist geen vergoeding van proceskosten toe te kennen, behoort hij dat oordeel te motiveren. Daartoe kan hij niet volstaan met de constatering dat een standpunt voor het eerst in (hoger) beroep is ingenomen. Als de belanghebbende niet heeft toegelicht waarom hij een bepaald standpunt pas in (hoger) beroep heeft ingenomen, mag de rechter bovendien slechts tot dit oordeel komen nadat hij die belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld die toelichting te geven.
De hiervoor in 3.4.7 bedoelde mogelijkheid voor de rechter om toekenning van een proceskostenvergoeding achterwege te laten, ziet dus niet op gevallen waarin redelijkerwijs twijfel kon bestaan over de uitleg of toepassing van de wet of het Unierecht.