Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
3.1.6 Dividendrechten
4. Looptijd
5 Winstafhankelijke rentevergoeding
6 Optieregeling
7 Achterstelling
8.Opeisingsgronden
upsidevan het aandelenbelang. Van een vervreemding is weliswaar geen sprake, maar daaraan mag niet de conclusie worden verbonden dat hem alle rechten toekomen die aan de aandelen verbonden zijn. Omdat het optierecht van meet af aan op de vordering heeft gerust, heeft hij nooit het volledige economische belang bij het desbetreffende deel van de preferente aandelen A2 gehad. Dat betekent dat het economische belang van belanghebbende was beperkt tot 80% van 150/550 deel van 446.703 van de in totaal 2.297.490 uitstaande preferente aandelen A2 oftewel 4,24%. Dat is niet genoeg om van een aanmerkelijk belang te spreken, aldus belanghebbende. Het belang dat wordt vertegenwoordigd door het door belanghebbende gehouden certificaat in [B.V. 1] mag hierbij niet worden opgeteld, aangezien het gaat om een direct en een indirect belang die beiden op zichzelf beschouwd geen aanmerkelijk belang vormen. Een samentelling zou volgens belanghebbende overigens niet tot een andere uitkomst leiden, aangezien het via het certificaat gehouden belang een omvang heeft van (1,54% * (100 -/- 38,89%) * 80% =) 0,75%, zodat het totale belang 4,99% zou belopen. De factor van 80% die belanghebbende in deze berekening hanteert heeft betrekking op de verdeling van dividendrechten (zie hiervoor onder 2.2).
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.230, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.204;
- vermindert de beschikking inzake belastingrente dienovereenkomstig;
- veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten ten bedrage van € 4.081,50; en
- draagt de Inspecteur op de door belanghebbende betaalde griffierechten van in totaal € 188 te vergoeden.