ECLI:NL:GHDHA:2025:2172

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
200.340.932/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep effectenleaseovereenkomsten en vergunningplichtige advisering tussenpersonen

In deze civiele zaak staat het hoger beroep centraal van Dexia Nederland B.V. tegen een vonnis van de kantonrechter Rotterdam. De zaak betreft drie effectenleaseovereenkomsten die in 2001 zijn gesloten via twee verschillende tussenpersonen en in 2007 zijn beëindigd. Dexia vordert dat het hof het vonnis vernietigt en haar vordering onvoorwaardelijk toewijst.

De kantonrechter had de vordering van Dexia toegewezen onder de voorwaarde dat Dexia de schade van de wederpartij vergoedt zoals nader omschreven in het vonnis. Dexia richt zich in hoger beroep met name tegen het oordeel dat beide tussenpersonen vergunningplichtig advies hebben gegeven. Zij stelt dat onvoldoende is onderbouwd dat de tussenpersonen de financiële situatie en doelen van de wederpartij hebben uitgevraagd.

De wederpartij heeft in het verweer toegelicht hoe de eerste overeenkomst tot stand is gekomen, maar heeft over de tweede tussenpersoon aanvankelijk weinig feitelijke stellingen ingenomen. Pas laat in de procedure lichtte hij zijn standpunt over vergunningplichtige advisering door de tweede tussenpersoon nader toe. Het hof oordeelt dat Dexia hierdoor onvoldoende gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren en verleent haar de mogelijkheid dit alsnog te doen. De zaak wordt aangehouden voor verdere besluitvorming.

Uitkomst: Het hof staat Dexia toe zich nader uit te laten over nieuwe feitelijke stellingen en houdt de zaak aan voor verdere besluitvorming.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.932/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10229837 EL 22-136
Arrest van 28 oktober 2025
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] , [gemeente] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding waarmee Dexia in hoger beroep is gekomen van het vonnis van 25 januari 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord.

2.Feitelijke achtergrond

2.1
[geïntimeerde] heeft in 2001 een drietal effectenleaseovereenkomsten afgesloten bij Dexia. De eerste overeenkomst is tot stand gekomen via [tussenpersoon 1] als tussenpersoon. Een paar maanden later heeft [geïntimeerde] de andere twee overeenkomsten gesloten via [tussenpersoon 2] als tussenpersoon. De effectenleaseovereenkomsten zijn in 2007 beëindigd.

3.Procedure bij de kantonrechter

3.1
Dexia heeft [geïntimeerde] gedagvaard. Zij heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan, na betaling aan [geïntimeerde] van een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en dat [geïntimeerde] niets meer van haar te vorderen heeft, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.2
[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.3
De kantonrechter heeft in het vonnis de door Dexia gevorderde verklaring voor recht toegewezen, onder de voorwaarde dat de Dexia de schade van [geïntimeerde] vergoedt als in rov. 4.15 van het vonnis weergegeven. De kantonrechter heeft Dexia tevens veroordeeld in de proceskosten.

4.Vordering in hoger beroep

4.1
Dexia vordert dat de hof het vonnis vernietigt en de vordering van Dexia alsnog onvoorwaardelijk toewijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.2
[geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
Dexia richt een grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat zowel [tussenpersoon 1] als [tussenpersoon 2] vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] . Voor zover nu van belang voert Dexia aan dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de beide tussenpersonen uitvraag hebben gedaan naar de financiële omstandigheden en doelen van [geïntimeerde] . Dexia concludeert dat geen sprake is geweest van vergunningplichtige advisering door de tussenpersonen.
5.2
[geïntimeerde] voert verweer. Hij heeft bij conclusie van antwoord toegelicht hoe de eerste overeenkomst, waarbij [tussenpersoon 1] betrokken is geweest, feitelijk tot stand is gekomen (nrs. 21 tot en met 24). Over de betrokkenheid van [tussenpersoon 2] heeft [geïntimeerde] in zijn conclusie van antwoord (vrijwel) geen feitelijke stellingen ingenomen. Datzelfde geldt voor zijn conclusie van dupliek. [geïntimeerde] heeft pas in nr. 29 van de memorie van antwoord zijn stelling over de vergunningplichtige advisering door [tussenpersoon 2] nader feitelijk toegelicht. Dexia is niet in staat geweest hierop te reageren en moet daarom de gelegenheid worden geboden zich hierover uit te laten.
Conclusie
Het hof zal Dexia toelaten om te reageren op de stellingen van [geïntimeerde] in nr. 29 van de memorie van antwoord.

6.Beslissing

Het hof:
  • laat Dexia toe zich bij akte uit te laten over de stellingen van [geïntimeerde] in nr. 29 van de memorie van antwoord;
  • verwijst de zaak naar de rol van
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, H.J. van Harten en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025 in aanwezigheid van de griffier.