In deze civiele zaak staat het hoger beroep centraal van Dexia Nederland B.V. tegen een vonnis van de kantonrechter Rotterdam. De zaak betreft drie effectenleaseovereenkomsten die in 2001 zijn gesloten via twee verschillende tussenpersonen en in 2007 zijn beëindigd. Dexia vordert dat het hof het vonnis vernietigt en haar vordering onvoorwaardelijk toewijst.
De kantonrechter had de vordering van Dexia toegewezen onder de voorwaarde dat Dexia de schade van de wederpartij vergoedt zoals nader omschreven in het vonnis. Dexia richt zich in hoger beroep met name tegen het oordeel dat beide tussenpersonen vergunningplichtig advies hebben gegeven. Zij stelt dat onvoldoende is onderbouwd dat de tussenpersonen de financiële situatie en doelen van de wederpartij hebben uitgevraagd.
De wederpartij heeft in het verweer toegelicht hoe de eerste overeenkomst tot stand is gekomen, maar heeft over de tweede tussenpersoon aanvankelijk weinig feitelijke stellingen ingenomen. Pas laat in de procedure lichtte hij zijn standpunt over vergunningplichtige advisering door de tweede tussenpersoon nader toe. Het hof oordeelt dat Dexia hierdoor onvoldoende gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren en verleent haar de mogelijkheid dit alsnog te doen. De zaak wordt aangehouden voor verdere besluitvorming.