ECLI:NL:GHDHA:2025:2401
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingaanslag box 3 ondanks geschil over fictief rendement staatsobligaties en VvE-aandeel
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2019, omdat hij vond dat op zijn buitenlandse staatsobligaties en VvE-aandeel het lagere fictieve rendement voor bank- en spaartegoeden toegepast moest worden. De rechtbank wees het beroep af, maar kende een vergoeding toe voor overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat het onderscheid in fictief rendement tussen banktegoeden en staatsobligaties in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Het hof oordeelde dat banktegoeden en obligaties geen gelijke gevallen zijn vanwege verschillende wettelijke regels en risicoprofielen, en dat het VvE-aandeel als overige bezitting moet worden aangemerkt.
Verder werd bevestigd dat het forfaitaire stelsel van box 3 heffing niet aangepast kan worden per vermogensbestanddeel. Omdat belanghebbende een werkelijk rendement behaalde dat hoger was dan het forfaitaire rendement, was de aanslag niet te hoog vastgesteld. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.