ECLI:NL:GHDHA:2025:2579

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
200.345.229/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid werkgever voor arbeidsongeval door uitstekende rail in kas

In deze zaak oordeelt het Gerechtshof Den Haag dat de werkgever aansprakelijk is voor de val van een werknemer over een uitstekende rail in de kas waar hij werkte. De werknemer, [appellant], was als uitzendkracht werkzaam bij [geïntimeerde] B.V. en viel op 25 mei 2022 in de kas, wat resulteerde in een elleboogfractuur. De werkgever betwistte de aansprakelijkheid, maar het hof oordeelde dat de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is, omdat hij niet kon aantonen dat hij aan zijn zorgplicht had voldaan. Het hof vernietigde de eerdere vonnissen van de kantonrechter, die de vordering van de werknemer had afgewezen, en verklaarde de werkgever aansprakelijk voor de schade van de werknemer. Het hof oordeelde dat de werkgever onvoldoende maatregelen had genomen om de werkvloer veilig te houden en dat de werknemer schade had geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De proceskosten werden toegewezen aan de werknemer.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.345.229/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10111860 CV EXPL 22-29327
Arrest van 2 december 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P. Kowalczyk, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd in Bleiswijk, gemeente Lansingerland,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S.A. Raalte, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
Een werknemer stelt dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden is gevallen over een rail die uit de betonvloer stak van de kas waar hij werkte. De werkgever betwist het ongeval. Het hof is van oordeel dat de werkgever aansprakelijk is voor het ongeval dat de werknemer is overkomen en vernietigt het vonnis van de rechtbank.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 21 juni 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2024 en 31 maart 2023;
  • de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel van [geïntimeerde] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel van [appellant] .

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[geïntimeerde] exploiteert aan de Chrysantenweg 8 te Bleiswijk een tuindersbedrijf dat zich voornamelijk richt op het telen van peper.
3.2
[appellant] is als uitzendkracht aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld door uitzendbureau Fix Personeelsdiensten B.V. Vanaf januari 2020 heeft [appellant] bij [geïntimeerde] gewerkt als oogstmedewerker.
3.3
Op 25 mei 2022 was [appellant] bij [geïntimeerde] aan het werk in de kas. Hij is die dag om ongeveer 9.10 uur gevallen in een gangpad in de kas.
3.4
[appellant] is vervolgens eveneens op 25 mei 2022 opgenomen in het ziekenhuis in verband met een elleboogfractuur. Hij is aldaar geopereerd waarbij een plaat en schroeven zijn geplaatst.
3.5
Bij brief van 11 juli 2022 heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie aan [appellant] geschreven:

(…) Op woensdag 25 mei 2022 bent u slachtoffer geworden van een arbeidsongeval [geïntimeerde] aan Chrysantenweg 8 te Bleiswijk. Hierbij heeft u helaas letsel opgelopen. De Nederlandse Arbeidsinspectie is daarom een onderzoek gestart naar uw arbeidsongeval.
Met inspecteur mevrouw [naam 2] heeft u contact gehad over het ongeval. Naar aanleiding van het ongeval is een ongevalsonderzoek gestart, waarvan de behandeling op een andere manier heeft plaatsgevonden dan gebruikelijk is. Hierover bent u met de brief van 8 Juni 2022 geïnformeerd.
Op basis van de informatie die uw werkgever beschikbaar heeft gesteld en het gesprek tussen u en mevrouw [naam 2] , arbeidsinspecteur van de Nederlandse Arbeidsinspectie, is het volgende geconcludeerd:
' [geïntimeerde] ' heeft zelf onderzoek gedaan naar het ongeval dat heeft plaatsgevonden door middel van het afnemen van verklaringen. De conclusie van dit onderzoek is dat er sprake was van een misstap, onoplettendheid en/ of afgeleid zijn waardoor het slachtoffer gestruikeld is en is gevallen op zijn arm. Om dit in de toekomst, voor zover mogelijk, te voorkomen mag er geen telefoon meer gebruikt worden tijdens het lopen, dit om afleiding tegen te gaan. Ook is het belang van kijken waar je loopt besproken met het personeel. (…)
3.6
Bij brief van 15 juli 2022 heeft de gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld op grond van art. 7:658 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) voor de schade van [appellant] .

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
 voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk is voor het door [appellant] opgelopen letsel op of omstreeks 25 mei 2022;
 [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding.
4.2
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.
4.3
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft geoordeeld, op basis van de foto’s en de waarnemingen en mededelingen ter plaatse bij de descente, dat de rail waarover [appellant] stelt te zijn gevallen, niet uit de betonvloer stak. Ook staat niet vast dat hij op die plek is gevallen; [appellant] heeft daar wisselend over verklaard. Er was sprake van een ongeval wegens een misstap, onoplettendheid en/of afgeleid zijn, zoals ook de Arbeidsinspectie heeft geconcludeerd, en niet omdat [geïntimeerde] tekort is geschoten in haar zorgplicht. Daarom is [geïntimeerde] niet aansprakelijk voor de schade die hiervan een gevolg is.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van de vonnissen van de kantonrechter van 31 maart 2023 en 22 maart 2024 en alsnog toewijzing van zijn vordering. Daartoe voert hij zeventien grieven aan. Verder vordert hij terugbetaling van alles wat hij uit hoofde van de vonnissen aan [geïntimeerde] heeft betaald, en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.
5.2
[geïntimeerde] concludeert in hoger beroep en in voorwaardelijk incidenteel appel tot verwerping van de grieven van [appellant] en tot bekrachtiging van het vonnis van 22 maart 2024, met veroordeling van [appellant] in de kosten van – naar het hof begrijpt – zowel het principaal hoger beroep als het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
5.3
In voorwaardelijk incidenteel appel concludeert [appellant] tot verwerping van de grief van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit appel.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Met zijn grieven betoogt [appellant] onder andere dat de kantonrechter de bewijslastverdeling van art. 7:658 BW onjuist heeft toegepast en heeft miskend dat [geïntimeerde] moet bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Ten onrechte wordt het [appellant] aangerekend dat niet duidelijk is waar hij is gevallen en dat hij hierover wisselend heeft verklaard; het is immers [geïntimeerde] die moet bewijzen hoe het ongeval zich heeft voorgedaan. Daarin is [geïntimeerde] niet geslaagd. Het is verder onbegrijpelijk dat de kantonrechter uit een descente die een jaar na het ongeval heeft plaatsgevonden, concludeert dat de rail ten tijde van het ongeval niet uit de betonvloer stak, aldus [appellant] . De door [appellant] aangevoerde grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
6.2
Het hof stelt bij de beoordeling in hoger beroep het volgende voorop. Op grond van art. 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen waarin hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken, als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
6.3
[geïntimeerde] - voor wie [appellant] als uitzendkracht werkzaamheden verrichtte - is aansprakelijk voor de schade die [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt (ingevolge art. 7:658 lid 4 j° lid 2 BW), tenzij [geïntimeerde] aantoont dat zij de in art. 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht is nagekomen, of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [appellant] .
6.4
Ten aanzien van het bewijslastverdeling geldt dat [appellant] - als werknemer - moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [geïntimeerde] . Hij hoeft niet aan te tonen wat de (exacte) toedracht of de oorzaak van het ongeval is geweest [1] .
Schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden
6.5
[appellant] heeft gesteld – onderbouwd met hierna te noemen getuigenverklaringen en foto’s – dat hij als werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, doordat hij op 25 mei 2022, toen hij bij [geïntimeerde] aan het werk was, is gevallen over een rail die uit de betonvloer van de kas stak. Hij is daarna naar het ziekenhuis gebracht waar is geconstateerd dat hij een elleboogfractuur had opgelopen.
6.6
[geïntimeerde] heeft hiertegen aangevoerd dat het ongeval niet gebeurd is in de uitoefening van de werkzaamheden van [appellant] omdat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de pauze en niet tijdens de bedrijfsactiviteiten. Het hof verwerpt dit verweer. Het criterium “in de uitoefening van de werkzaamheden” wordt ruim uitgelegd. Hieronder moet ook worden begrepen de situatie waarin een werknemer zich aansluitend aan de arbeidstijd (tijdens een pauze) nog altijd in de bedrijfsruimte bevindt waar hij de werkzaamheden moet verrichten. [2]
6.7
Hiermee is komen vast te staan dat [appellant] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [geïntimeerde] , ook als het ongeval hem is overkomen tijdens de pauzetijd toen hij in de kas richting de kantine liep.
Zorgplicht
6.8
Nu vaststaat dat [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [geïntimeerde] schade heeft geleden, is [geïntimeerde] als werkgever op grond van art. 7:658 lid 2 BW daarvoor aansprakelijk tenzij zij aantoont dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. In dat verband rust op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast van de toedracht van het ongeval. Blijft de toedracht van het ongeval onduidelijk, dan komt die onduidelijkheid voor risico van [geïntimeerde] . [3]
6.9
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellant] is gestruikeld vlakbij de uitgang/sorteerafdeling/kantine tijdens het lopen door onoplettendheid en/of door pech. Het ongeval is dus niet te wijten aan een tekortschieten van de op [geïntimeerde] rustende zorgplicht, er is namelijk sprake van een algemeen bekend gevaar dat niet voor rekening en risico van [geïntimeerde] komt en waartegen [geïntimeerde] niet behoeft te waarschuwen. De rail is niet als gevaarlijk gekwalificeerd in de risico-inventarisatie en -evaluatie en ook in het proces-verbaal van de descente is opgenomen dat de rail verzonken is in een sleuf in het pad, en dat deze bestaat uit stukken “
die goed op elkaar aansluiten, want gezien en gevoeld lijkt het alsof de naad tussen de delen weinig oneffenheid oplevert”.
6.1
Verder heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. [geïntimeerde] hanteert bedrijfsregels met loop-/gezondheid-/meldingsinstructies en er zijn diverse waarschuwings- en verbodsstickers aangebracht. Verder is het praktisch gezien onmogelijk dat [appellant] over een uitstekend stuk rail is gestruikeld. De enige rail waar een ‘hapje’ uit was, was niet “vlakbij de uitgang/sorteerafdeling/kantine” waar [appellant] zegt te zijn gevallen. De plek van de rail met het ‘hapje’ is zestig meter verderop in de kas. [geïntimeerde] verwijst verder naar de brief van de Arbeidsinspectie van 11 juli 2022 waarin is geconcludeerd, dat er sprake was van een misstap, onoplettendheid en/of afgeleid zijn waardoor [appellant] is gestruikeld en gevallen.
6.11
[appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde toedracht van het ongeval gemotiveerd betwist. Hij heeft zelf verklaard dat hij in de kas gevallen is over een stuk uitstekende rail. Hij heeft als productie 1 een foto overgelegd van een uitstekende, gebroken rail die gemarkeerd is met een kartonnen doos - met daarop een afbeelding van een peper - die onder het uitstekende deel van de rail is geschoven. Als productie 9 heeft hij overgelegd een foto met daarop eveneens een stuk rail dat is afgebroken en uit de betonvloer steekt. Onder die foto staat de vermelding “20220525”. Dit komt overeen met de datum van het ongeval, 25 mei 2025.
6.12
Verder heeft [appellant] schriftelijke verklaringen overgelegd van [getuige 1] en diens moeder [getuige 2] . Zij verklaren beiden dat zij getuigen zijn geweest van de gebeurtenis die op 25 mei 2022 plaatsvond in Bleiswijk aan de Chrysantenweg 8 en dat [appellant] struikelde over een uit het beton stekende rail toen hij zijn pauze ging houden en hij onderuitging. Ter gelegenheid van de descente op 23 juni 2023 heeft [getuige 2] verklaard: “
Ik liep naar de kantine voor pauze toen [appellant] viel. Mijn zoon en ik liepen samen. [appellant] liep ongeveer twee meter voor mij” (…) “
Ik heb niet gezien hoe [appellant] viel, maar hij struikelde. Ik zag de rail omhoog steken. U, mr. Kowalczyk, toont mij een foto. Die foto ken ik. Ik heb die foto gemaakt. Dat heb ik gedaan na het ongeval, nadat ik terugkwam van mijn pauze”. [getuige 1] heeft ter gelegenheid van de descente verklaard: “
Ik weet niet precies waar hij viel. Ik zag hem vallen. Hij struikelde over iets dat uitstak. De vloer was nat en de rail stak toen uit”. Ook heeft [getuige 1] verklaard: “
U, mr. Kowalczyk, vraagt mij of de staat van de betonnen vloer hetzelfde is als ten tijde van het ongeval? De bevestiging van de rails is anders en de vloer is nu droog. Zo was het ten tijde van het ongeval niet”.
6.13
Gelet op het voorgaande acht het hof de door [appellant] beschreven toedracht voldoende aannemelijk geworden, namelijk dat hij op 25 mei 2022 is gevallen over een stuk rail dat uitstak uit de betonvloer van de kas waar hij zijn werkzaamheden verrichtte. Uit de door [appellant] overgelegde foto’s blijkt van een uitstekende rail waarvan [getuige 2] heeft verklaard dat zij de foto met de uitstekende rail en de doos - die daar ter markering van het ongeval was aangebracht - heeft genomen en dat [appellant] daar op die plek is gevallen. Bij die foto is ook elektronisch de datum van het ongeval vermeld. Verder hebben [getuige 1] en [getuige 2] ieder verklaard, ook in aanwezigheid van de kantonrechter, dat [appellant] gevallen is over een uitstekende rail. Hun verklaringen komen op hoofdlijnen overeen en het hof acht die verklaringen voldoende geloofwaardig. Dat [getuige 2] en [getuige 1] moeder en zoon zijn en [appellant] en [getuige 1] samenwonen/ samenwoonden (nabij het bedrijf van [geïntimeerde] ) doet naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen.
6.14
De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] op een
andereplek in de kas is gevallen dan waar hij dat heeft aangegeven en [appellant] (dus) niet over
een uitstekende railis gevallen (en er dus een gewone val was waarvoor [geïntimeerde] in het kader van haar zorgplicht niet behoefde te waarschuwen, dan wel [geïntimeerde] voldoende aan haar zorgplicht heeft voldaan), ziet op
de toedrachtvan het ongeval. Hiervan draagt, zoals hiervoor onder 6.4 en 6.8 is overwogen, niet [appellant] maar [geïntimeerde] de bewijslast en het bewijsrisico. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] direct na het ongeval een onderzoek heeft gedaan naar de toedracht daarvan. Zij heeft niet de plek van het ongeval vastgelegd bijvoorbeeld door deze te markeren of te fotograferen. [betrokkene bij geïntimeerde] ontkent dat hij de doos zoals die op de foto van productie 1 te zien is, daar heeft neergezet. Ook is niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] onderzoek heeft gedaan naar de staat van de betonvloer op de plek van het ongeval. Dat had wel van haar verwacht mogen worden nu op haar als werkgever ingevolge het Arbobesluit de verplichting rust om zorg te dragen voor een werkvloer die vrij is van oneffenheden en [appellant] met een elleboogfractuur in het ziekenhuis werd opgenomen.
6.15
Dat [appellant] mogelijk wisselend heeft verklaard over de plek in de kas waar hij - al dan niet onder invloed van zonlicht - is gevallen, maakt het voorgaande niet anders; zoals hiervoor al is gezegd rust op [appellant] niet de bewijslast van de toedracht van het ongeval. [appellant] is daadwerkelijk gevallen in de kas waar hij aan het werk was – dat staat tussen partijen vast – en is met een gebroken elleboog en pijnklachten naar het ziekenhuis gebracht. Van hem kan niet worden gevergd, in het bijzonder niet na een dergelijke val, dat hij de plek van het ongeval in de kas kan benoemen, laat staan dat hij deze plek meer dan een jaar na dato - tijdens de descente op 23 juni 2023 - nog kan aanwijzen. Verder is het hof van oordeel dat het enkele feit dat op 23 juni
2023geen sprake was van een rail die uit de betonvloer stak, geen bewijs oplevert van de situatie ten tijde van het ongeval op 25 mei
2022. Ook het feit dat in de RI&E van 10 maart 2021 (dus meer dan een jaar voor het ongeval) de rail niet genoemd wordt, levert geen bewijs van de toestand van de rail in de vloer op 25 mei 2022. Ten slotte acht het hof de conclusie in de brief van de Nederlandse Arbeidsinspectie van 11 juli 2022 onvoldoende voor het bewijs voor de door [geïntimeerde] voorgestane toedracht, namelijk dat [appellant] niet gestruikeld zou zijn over een uitstekende rail, op een andere plek in de kas. De Arbeidsinspectie heeft geen eigen onderzoek ter plaatse gedaan, noch zelf getuigen gehoord. Zij is blijkens de brief klaarblijkelijk onder meer afgegaan op een door [geïntimeerde] zelf verricht onderzoek waarvan de verklaringen en resultaten niet in de brief kenbaar worden gemaakt. De conclusie dat er sprake is geweest van een misstap, onoplettendheid en/of afgeleid zijn, laat nog altijd de mogelijkheid open dat [appellant] gestruikeld is over een stuk uitstekende rail.
6.16
Verder moet het hof constateren dat [geïntimeerde] ter zake van de toedracht geen relevant bewijsaanbod heeft gedaan. [geïntimeerde] draagt het bewijs dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Zij zal daartoe de toedracht van het ongeval moeten aantonen en [geïntimeerde] kan er dus niet mee volstaan aan te tonen dat [appellant] op een andere plek gevallen is dan de plek waar hij in eerste instantie meende te zijn gevallen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat op die alternatieve plek van het ongeval geen sprake was van een uitstekende rail, of dat de rail maar op één plek uitstak (niet zijnde de plek van het ongeval) maar van deze stelling heeft zij geen bewijs aangeboden en evenmin van de stelling dat de rail zoals die op de foto met de doos is te zien (productie 9)
nahet ongeval uit de betonnen vloer zou zijn gelicht. Dit blijkt verder helemaal nergens uit. Voor zover er nog enige onduidelijkheid zou bestaan over de exacte toedracht van het ongeval, komt die onduidelijkheid voor risico van [geïntimeerde] als werkgever.
6.17
Op [geïntimeerde] rust als werkgever de verplichting om ter beperking van valgevaar te zorgen voor een werkvloer die vrij is van oneffenheden (art. 3.11 Arbobesluit). Nu niet in geschil is dat er op de werkvloer tenminste op één plek sprake was van een uitstekende rail (een ‘hapje’ uit de rail), en het hof hiervoor heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] gestruikeld is over een uitstekende rail, heeft [geïntimeerde] een gevaarzettende situatie laten voortbestaan en heeft zij in dat opzicht niet aan haar zorgplicht voldaan. Van een huis-, tuin- en keukenongeluk waarvoor niet gewaarschuwd hoeft te worden is geen sprake. De door [geïntimeerde] gestelde veiligheidsinstructies (onder andere over hoe er op het werk gelopen moet worden) zijn onvoldoende effectief om een ongeval als het onderhavige te voorkomen. Dat geldt ook voor het aanbrengen van waarschuwings- en verbodsstickers op de werkplek met onder andere het verbod op mobiele telefoon op de werkplaats. Er is ook geen enkele aanwijzing dat [appellant] een telefoon in zijn hand had toen hij viel. Van [geïntimeerde] had verwacht mogen worden dat zij op het ongeval toegesneden veiligheidsmaatregelen treft en toezicht houdt op de naleving van de veiligheidsmaatregelen en veiligheidsinstructies, in het bijzonder dat zij de werkvloer regelmatig inspecteert op oneffenheden en controleert of de rails - die klaarblijkelijk kunnen afbreken en uitsteken – nog goed in de vloer verzonken zijn en geen oneffenheden in de werkvloer veroorzaken waarover gevallen kan worden. Bij eventuele oneffenheden mag van haar verwacht worden dat zij deze allereerst duidelijk markeert/ afzet en vervolgens zo spoedig mogelijk repareert. Niet gesteld of gebleken is dat dergelijke maatregelen te bezwaarlijk of te kostbaar zouden zijn, of dit anderszins in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd.
6.18
[geïntimeerde] heeft onvoldoende gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat de door [appellant] geleden schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [appellant] . De stelling dat als gevolg van een aangeboren afwijking de voeten van [appellant] naar binnen zouden zijn gedraaid waardoor de struikelkans wordt vergroot, leidt niet tot een ander oordeel over de schending van de zorgplicht door [geïntimeerde] . Hetzelfde geldt voor de stelling dat er geen enkele reden voor [appellant] was om uitgerekend over de rails te lopen en dat van hem enige oplettendheid mag worden verwacht tijdens het lopen op de betonpaden.
6.19
De door [appellant] aangevoerde grieven treffen dus doel.
6.2
Met haar voorwaardelijk incidentele grief komt [geïntimeerde] op tegen de overweging van de kantonrechter dat “[a]ls er een stukje rail uitstak, zodanig dat je er over kon struikelen dan is [geïntimeerde] aansprakelijk voor het letsel van [appellant] en anders is er gewoon sprake geweest van onoplettendheid en/of pech” (rov. 4.3 van het vonnis van 22 maart 2024). Deze grief stuit af op de overwegingen in het principaal hoger beroep.
6.21
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bewijsaanbod van [geïntimeerde] hetzij niet specifiek, hetzij betreft het geen relevante feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel zou leiden. Het hof laat [geïntimeerde] niet toe tot de aangeboden bewijslevering.

7.Conclusie en proceskosten

7.1
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] slaagt. Het hof zal de vonnissen van de kantonrechter vernietigen en voor recht verklaren dat [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk is voor het door [appellant] opgelopen letsel op of omstreeks 25 mei 2022. Voor het geval [appellant] uitvoering heeft gegeven aan de proceskostenveroordeling in het vonnis van 22 maart 2024, wijst het hof ook zijn vordering tot terugbetaling toe.
7.2
Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in principaal hoger beroep. De omstandigheid dat [geïntimeerde] , die door de kantonrechter in het gelijk is gesteld, in de vorm van een (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep verweer heeft gevoerd, komt haar niet op een kostenveroordeling te staan.
7.3
Het hof begroot de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] op
salaris advocaat € 1.218,- (3 punten × € 406,-)
nakosten € 135,-
Totaal € 1.353,-
7.4
Het hof begroot de proceskosten in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellant] op:
griffierecht € 349,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.955,-

8.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2023 en 22 maart 2024,
en opnieuw rechtdoende:
  • verklaart voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk is voor het door [appellant] opgelopen letsel op of omstreeks 25 mei 2022;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.353,-;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 2.955,-;
  • veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van het geldbedrag dat [appellant] ter uitvoering van de proceskostenveroordeling in het vonnis van 22 maart 2024 aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;
  • bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordelingen en de veroordeling tot terugbetaling betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, H.J. van Kooten en B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, rov 3.4.1.
2.HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215 en Hof Den Haag 21 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1266
3.HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432, rov 3.4.