Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 21 juni 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2024 en 31 maart 2023;
- de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel van [geïntimeerde] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel van [appellant] .
3.Feitelijke achtergrond
(…) Op woensdag 25 mei 2022 bent u slachtoffer geworden van een arbeidsongeval [geïntimeerde] aan Chrysantenweg 8 te Bleiswijk. Hierbij heeft u helaas letsel opgelopen. De Nederlandse Arbeidsinspectie is daarom een onderzoek gestart naar uw arbeidsongeval.
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
die goed op elkaar aansluiten, want gezien en gevoeld lijkt het alsof de naad tussen de delen weinig oneffenheid oplevert”.
Ik liep naar de kantine voor pauze toen [appellant] viel. Mijn zoon en ik liepen samen. [appellant] liep ongeveer twee meter voor mij” (…) “
Ik heb niet gezien hoe [appellant] viel, maar hij struikelde. Ik zag de rail omhoog steken. U, mr. Kowalczyk, toont mij een foto. Die foto ken ik. Ik heb die foto gemaakt. Dat heb ik gedaan na het ongeval, nadat ik terugkwam van mijn pauze”. [getuige 1] heeft ter gelegenheid van de descente verklaard: “
Ik weet niet precies waar hij viel. Ik zag hem vallen. Hij struikelde over iets dat uitstak. De vloer was nat en de rail stak toen uit”. Ook heeft [getuige 1] verklaard: “
U, mr. Kowalczyk, vraagt mij of de staat van de betonnen vloer hetzelfde is als ten tijde van het ongeval? De bevestiging van de rails is anders en de vloer is nu droog. Zo was het ten tijde van het ongeval niet”.
andereplek in de kas is gevallen dan waar hij dat heeft aangegeven en [appellant] (dus) niet over
een uitstekende railis gevallen (en er dus een gewone val was waarvoor [geïntimeerde] in het kader van haar zorgplicht niet behoefde te waarschuwen, dan wel [geïntimeerde] voldoende aan haar zorgplicht heeft voldaan), ziet op
de toedrachtvan het ongeval. Hiervan draagt, zoals hiervoor onder 6.4 en 6.8 is overwogen, niet [appellant] maar [geïntimeerde] de bewijslast en het bewijsrisico. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] direct na het ongeval een onderzoek heeft gedaan naar de toedracht daarvan. Zij heeft niet de plek van het ongeval vastgelegd bijvoorbeeld door deze te markeren of te fotograferen. [betrokkene bij geïntimeerde] ontkent dat hij de doos zoals die op de foto van productie 1 te zien is, daar heeft neergezet. Ook is niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] onderzoek heeft gedaan naar de staat van de betonvloer op de plek van het ongeval. Dat had wel van haar verwacht mogen worden nu op haar als werkgever ingevolge het Arbobesluit de verplichting rust om zorg te dragen voor een werkvloer die vrij is van oneffenheden en [appellant] met een elleboogfractuur in het ziekenhuis werd opgenomen.
2023geen sprake was van een rail die uit de betonvloer stak, geen bewijs oplevert van de situatie ten tijde van het ongeval op 25 mei
2022. Ook het feit dat in de RI&E van 10 maart 2021 (dus meer dan een jaar voor het ongeval) de rail niet genoemd wordt, levert geen bewijs van de toestand van de rail in de vloer op 25 mei 2022. Ten slotte acht het hof de conclusie in de brief van de Nederlandse Arbeidsinspectie van 11 juli 2022 onvoldoende voor het bewijs voor de door [geïntimeerde] voorgestane toedracht, namelijk dat [appellant] niet gestruikeld zou zijn over een uitstekende rail, op een andere plek in de kas. De Arbeidsinspectie heeft geen eigen onderzoek ter plaatse gedaan, noch zelf getuigen gehoord. Zij is blijkens de brief klaarblijkelijk onder meer afgegaan op een door [geïntimeerde] zelf verricht onderzoek waarvan de verklaringen en resultaten niet in de brief kenbaar worden gemaakt. De conclusie dat er sprake is geweest van een misstap, onoplettendheid en/of afgeleid zijn, laat nog altijd de mogelijkheid open dat [appellant] gestruikeld is over een stuk uitstekende rail.
nahet ongeval uit de betonnen vloer zou zijn gelicht. Dit blijkt verder helemaal nergens uit. Voor zover er nog enige onduidelijkheid zou bestaan over de exacte toedracht van het ongeval, komt die onduidelijkheid voor risico van [geïntimeerde] als werkgever.
7.Conclusie en proceskosten
8.Beslissing
- verklaart voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk is voor het door [appellant] opgelopen letsel op of omstreeks 25 mei 2022;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.353,-;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 2.955,-;
- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van het geldbedrag dat [appellant] ter uitvoering van de proceskostenveroordeling in het vonnis van 22 maart 2024 aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;
- bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordelingen en de veroordeling tot terugbetaling betreft;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.