ECLI:NL:HR:2001:AB1430
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- R. Herrmann
- C.H.M. Jansen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P.C. Kop
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bewijsverdeling bij bedrijfsongeval en schadevergoeding werknemer
Eiser, een leerling-scheepsbouwer, is tijdens werkzaamheden in april 1992 met zijn rug tegen de rand van een boot gevallen. Hij vordert schadevergoeding van zijn werkgever, verweerder, wegens dit bedrijfsongeval. De Kantonrechter stelde eiser in de bewijsopdracht dat hij moest aantonen dat de boot kantelde waardoor hij viel. De Rechtbank bekrachtigde dit tussenvonnis en verwierp het hoger beroep van eiser.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsopdracht onjuist is omdat eiser niet hoeft aan te tonen hoe het ongeval zich heeft voorgedaan of de oorzaak ervan, maar slechts dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Leeuwarden voor verdere behandeling.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad verweerder in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak benadrukt de juiste toepassing van artikel 7:658 lid 2 BW Pro omtrent de bewijsverdeling bij schadevergoeding wegens een bedrijfsongeval.
Uitkomst: Het vonnis van de Rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof voor verdere behandeling.