In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 23 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep van belanghebbende, [X] B.V., tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 augustus 2024. De zaak betreft de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) die door belanghebbende op aangifte is voldaan voor negen auto’s. De Inspecteur van de Belastingdienst heeft de bezwaren van belanghebbende deels gegrond verklaard voor drie auto’s, maar ongegrond voor de overige auto’s. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank, die enkele beroepen gegrond verklaarde en teruggaven van bpm toekende, maar ook andere beroepen ongegrond verklaarde.
Belanghebbende heeft vervolgens pro forma hoger beroep ingesteld, maar heeft verzuimd de gronden van het hoger beroep tijdig in te dienen. Het Hof heeft vastgesteld dat het pro-formahogerberoepschrift niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet de benodigde motivering bevatte. Het Hof heeft belanghebbende de gelegenheid geboden om het verzuim te herstellen, maar belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt. Hierdoor heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, met de overweging dat de motiveringseis niet in strijd is met het Unierecht of het EVRM. De uitspraak van het Hof benadrukt het belang van een correcte en tijdige indiening van de gronden van het hoger beroep.