Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 13 oktober 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2023;
- het anticipatie-exploot van 9 november 2023 waarmee [appellante] op verzoek van Woonbron is opgeroepen te verschijnen op de zitting van het hof van 21 november 2023;
- het arrest van dit hof van 5 december 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2024;
- de memorie van grieven van [appellante] met producties 1 tot en met 3;
- de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel van Woonbron;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellante].
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Juridisch kader
in ieder gevalafwijst als aan één van de afwijzingsgronden is voldaan. Daaruit leidt Woonbron af dat er geen sprake is van een limitatieve opsomming. Woonbron wijst op het verschil met artikel 7:267 lid 3 BW, waarin de afwijzingsgronden voor een verzoek tot medehuurderschap zijn geregeld. Deze drie afwijzingsgronden komen deels overeen met die uit artikel 7:268 lid 3 BW en worden voorafgegaan door de bepaling dat de rechter de vordering tot medehuurderschap
slechtsafwijst als aan één van de gronden is voldaan.
KamerstukkenII 1997/98, 26 089, nr. 3, p. 50). De wetgever heeft dus niet beoogd ze inhoudelijk te wijzigen. Door de Hoge Raad is over de opsomming voorafgegaan door
in ieder gevalin artikel 7A:1623i BW (oud) overwogen dat deze limitatief is. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel volgt immers dat is beoogd de opsomming van weigeringsgronden zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de opsomming van weigeringsgronden van artikel 7A:1623h BW (oud) – en die werd voorafgegaan door het woord
slechts. Het hof is daarom van oordeel dat de opsomming van weigeringsgronden in artikel 7:268 lid 3 BW limitatief is. Er is dus geen ruimte voor de vraag of van Woonbron in redelijkheid verwacht kan worden dat zij de huurovereenkomst met [appellante] voortzet.
7.Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat [appellante] de huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] met ingang van 13 april 2021 als huurder voortzet;
- veroordeelt [appellante] in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van Woonbron tot op heden begroot op € 396,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de extra nakosten van € 92,- plus de kosten van betekening als [appellante] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend;
- veroordeelt Woonbron in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [appellante] begroot op € 4.163,00 en in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellante] begroot op € 607,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de extra nakosten van € 92,- plus de kosten van betekening als Woonbron niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.