Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:2873

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
BK-25/29
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag bpm opgelegd van €4.395 over een gebruikte Mercedes-Benz S-klasse. De Inspecteur baseerde de aanslag op een taxatierapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ), die een hogere handelsinkoopwaarde vaststelde dan het taxatierapport van belanghebbende. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een verzoek om immateriële schadevergoeding af wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat het financiële belang gering was en belanghebbende zijn standpunten tegen beter weten had ingenomen.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat de waardevermindering wegens schade niet juist was vastgesteld en dat hij recht had op een immateriële schadevergoeding van €1.000. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een waardevermindering op basis van het schadeverleden, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. Wel oordeelde het Hof dat de Rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat belanghebbende zijn standpunten tegen beter weten had ingenomen, waardoor het financiële belang niet gering was.

Het Hof stelde vast dat de redelijke termijn met ongeveer 14 maanden was overschreden en kende daarom een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe. Tevens veroordeelde het Hof de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd voor zover deze de immateriële schadevergoeding betrof.

Uitkomst: Het Hof kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/29

Uitspraak van 17 december 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 december 2024, nummer SGR 23/5343.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.395 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 184 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 20 november 2025.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 december 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 374 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz S-klasse Coupé 63 AMG 4Matic (de auto). De datum van eerste toelating is 28 september 2015.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 229.407 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 33.077. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 30.877 in mindering gebracht als ‘aftrek van een gangbare marge bij importvoertuigen en een redelijk deel van de reparatiekosten’ in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op
€ 2.200. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 39.447 (CO2-uitstoot van 242 g/km).
2.3.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 4.395 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 14 september 2021. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 229.407 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 33.566 (Xray). DRZ heeft een bedrag van € 8.072 aan schade aannemelijk geacht, waarvan € 5.812 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 27.754 (afschrijving van 87,9%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 39.447 (CO2-uitstoot van 242 g/km).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Beoordeling van het geschil
7. Vaststaat dat het taxatierapport ten tijde van het belastbare feit meer dan één maand oud was. Daar komt nog bij dat de auto tussen de fysieke opname door de taxateur en de voltooiing van de registratie uitgebreid is gerepareerd. Voor toepassing van de taxatiemethode is alsdan geen plaats. DRZ en verweerder zijn voor de handelsinkoopwaarde daarom terecht uitgegaan van een koerslijstwaarde.
8. De rechtbank zal de stelling van eiser dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto daarom opvatten als een beroep op artikel 110 van Pro het VWEU. Het is dan aan eiser om op basis van deskundigenonderzoek aan te tonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden.[1]
9. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser heeft immers geen andere auto of auto’s aangewezen. Eiser heeft subsidiair de rechtbank verzocht om de waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto in goede justitie vast te stellen. De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad echter af dat een schatting in goede justitie onvoldoende is om een waardevermindering wegens een schadeverleden in aanmerking te kunnen nemen.[2]
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het financiële belang van de procedure minder dan € 15 bedraagt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser heeft geprocedeerd op basis van een taxatierapport dat niet voldoet aan de daarvoor geldende vereisten en de enige beroepsgrond niet is voorzien van een deugdelijke feitelijke op de auto toegesneden onderbouwing, terwijl voor eiser duidelijk moet zijn geweest dat hij te dier zake de bewijslast draagt.[3] De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat eiser zijn standpunten tegen beter weten heeft ingenomen, zodat het financiële effect daarvan buiten beschouwing dient te worden gelaten.[4]
Proceskosten
12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147.
[2] HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2-3.6.3.
[3] Zie bijvoorbeeld HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
[4] HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de waardevermindering wegens ex-schade op het juiste bedrag is vastgesteld. Voorts is in geschil of de taxatiemethode kan worden toegepast en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 22.754, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 3.912 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 3.538. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van immateriële schade van € 1.000 en om vergoeding van de proceskosten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Waardevermindering wegens schadeverleden
5.1.1.
Het Hof stelt voorop dat belanghebbende heeft erkend dat zijn eigen taxatierapport gebreken vertoont en dat om die reden geen beroep op dit taxatierapport kan worden gedaan. Het feit dat belanghebbende afstand doet van dit taxatierapport betekent niet dat hij zich niet kan beroepen op de gegevens van de hertaxatie door DRZ.
5.1.2.
Indien en voor zover belanghebbende betoogt dat rekening moet worden gehouden met het schadeverleden van de auto, faalt dit, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147. Belanghebbende heeft geen deskundigenonderzoek laten verrichten waaruit de werkelijke waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde volgt ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat in belanghebbendes taxatierapport geen rekening wordt gehouden met een waardevermindering wegens ex-schade. Belanghebbende heeft dus onvoldoende aangevoerd om zijn standpunt te onderbouwen. Zelfs indien het aannemelijk maken van een waardevermindering wegens een schadeverleden voldoende is, slaagt belanghebbende niet in zijn bewijslast.
Vergoeding van immateriële schade
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op vergoeding van (immateriële) schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaar- en beroepsfase. Volgens belanghebbende moet deze vergoeding op € 1.000 worden vastgesteld.
5.2.2.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).
5.2.3.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende zijn standpunten tegen beter weten heeft ingenomen en dat het financiële effect daarvan derhalve ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het feit dat belanghebbende afstand doet van het eigen taxatierapport niet betekent dat hij zich niet kan beroepen op de gegevens van de hertaxatie door DRZ. Belanghebbendes standpunt in het beroepschrift van 5 september 2023 dat een waardevermindering wegens ex-schade van € 5.000 in aanmerking moet worden genomen, is gelet op de stand van de jurisprudentie ten tijde van het indienen van het beroepschrift niet tegen beter weten ingenomen. Derhalve is ook geen sprake van een procedure met een gering financieel belang.
5.2.4.
Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 16 november 2021. De Inspecteur heeft op 5 juli 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift is op 9 augustus 2023 door de Rechtbank ontvangen. De Rechtbank heeft op 17 december 2024 uitspraak gedaan. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak deed, zijn drie jaar en afgerond twee maanden (38 maanden) verstreken.
5.2.5.
Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat de redelijke termijn met afgerond 14 maanden is overschreden. Als regel heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan zes maanden overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan achttien maanden in beslag neemt. Uitgaande van een vergoeding van € 500 per zes maanden termijnoverschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, heeft belanghebbende recht op een bedrag aan vergoeding van immateriële schade van € 1.500, te vergoeden door de Inspecteur.
Slotsom
5.3.
Het hoger beroep is gegrond, uitsluitend gelet op r.o. 5.2.5.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling in verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (2 punten (verzoeken om schadevergoeding in beroep en hoger beroep) x wegingsfactor 0,25 x € 907). De wegingsfactor is vastgesteld conform het richtsnoer van de gerechtshoven 2024 (onder meer Hof Den Haag 14 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1398). De vergoeding wordt immers slechts toegekend vanwege de toekenning van een immateriëleschadevergoeding.
6.2.
Ook dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 473 (€ 184 + € 289) te worden vergoed. Het Hof ziet in het gegeven dat belanghebbende met succes is opgekomen tegen de beslissing van de Rechtbank over de vergoeding van immateriële schade aanleiding om, in zoverre in afwijking van het overgangsrecht in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567), ook het griffierecht in hoger beroep te laten vergoeden. Het Hof zal de griffier opdragen het griffierecht te laten terugstorten.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van immateriële schade;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 453,50;
  • gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende in beroep betaalde griffierecht van € 184 vergoedt;
  • gelast de griffier het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 289 terug te storten.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, M.J.M. van der Weijden en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon A. van Dongen
De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.