Verzoeker heeft bij het Gerechtshof Den Haag een verzoek tot herziening ingediend van de uitspraak van 10 juni 2016 inzake navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen over de jaren 2008, 2009 en 2010. De herziening werd gevraagd op grond van nieuwe feiten en omstandigheden en vermeende procedurele onjuistheden.
Het Hof oordeelt dat de aangevoerde feiten en omstandigheden ofwel na de uitspraak van 2016 hebben plaatsgevonden, ofwel verzoeker deze vóór de uitspraak reeds kende, waardoor niet aan de strenge voorwaarden voor herziening wordt voldaan. Ook het betwisten van het compromis uit 2016 kan niet leiden tot herziening nu de uitspraak onherroepelijk is en rechtskracht heeft.
Daarnaast verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening, maar het Hof stelt vast dat geen onverwijlde spoed is aangetoond en dat het belang van verzoeker bij aanhouding van de zaak ontbreekt. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom eveneens afgewezen.
De zitting vond digitaal plaats op 12 februari 2025, waarbij verzoeker niet verscheen ondanks kennisgeving. Het Hof handhaafde de procesorde en sloot het onderzoek zonder heropening. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is op 26 februari 2025 in het openbaar uitgesproken en partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.