Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021, waarin het box 3-inkomen forfaitair werd vastgesteld. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en bepaalde dat de Inspecteur het box 3-inkomen moest verminderen naar het werkelijk genoten rendement. Tevens werd een rentevergoeding toegekend over de periode van onverschuldigde betaling.
De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen de toekenning van de rentevergoeding, terwijl belanghebbende incidenteel hoger beroep instelde tegen de te lage proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het Hof oordeelde dat de rentevergoeding niet toekomt indien de wettelijke rente niet hoger is dan de belastingvermindering, conform een arrest van de Hoge Raad. De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase werd verhoogd vanwege een onjuiste toepassing van het tarief per punt.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking had op de rentevergoeding en stelde de proceskostenvergoeding in hoger beroep vast op €1.119,18, inclusief reiskosten. De Inspecteur werd veroordeeld tot betaling van deze kosten, ondanks dat het te lage bedrag in de bezwaarfase niet aan hem te wijten was. De uitspraak werd op 25 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.