ECLI:NL:GHDHA:2025:540
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep ondanks verzoek om nadere onderbouwing
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €297.000 voor het jaar 2022, en vorderde inzage in de onderbouwing van de waardebepaling, waaronder de grondstaffel en indexeringspercentages. De heffingsambtenaar handhaafde de beschikking en de aanslag, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de waarde op een juiste wijze was vastgesteld met behulp van vergelijkingsobjecten en dat de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht had voldaan.
Belanghebbende ging in hoger beroep en stelde dat de heffingsambtenaar niet volledig had voldaan aan de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, met name inzake de indexeringspercentages. Het hof oordeelde dat tijdens het hoorgesprek voldoende inzicht was gegeven in de totstandkoming van de indexeringspercentages en dat een aanvullend schriftelijk afschrift niet verplicht was. Daarnaast bevestigde het hof dat de waarde van de woning niet te hoog was vastgesteld, ondanks bezwaren over de ligging en omgevingsfactoren.
Het hof benadrukte dat waardering van onroerende zaken geen exacte wetenschap is en dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de gebruikte vergelijkingsobjecten en waarderingsmethoden voldoende betrouwbaar waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.