Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Een korte omschrijving van het geschil
2.Het verloop van het geding
3.Enkele feiten
4.De vordering en het oordeel van de rechtbank
5.De grieven in het principaal appel
bis-Vo. Daarnaast wijst de rechtbank onder andere op art. 26 van Pro die verordening. Beide bepalingen bieden inderdaad voldoende grondslag voor het aanvaarden van internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
bis-verordening verandert er niet door.
bis-Vo op grond waarvan de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter is aanvaard. Toegevoegd wordt, ten overvloede, dat de agency agreement zelf geen forumkeuzebeding behelst en dat de verwijzing onder het kopje ‘Duration’ naar het cognossement niet kan gelden als bewijs/aanwijzing dat de partijen bij de agency agreement bedoeld hebben de rechter in Hongkong bij uitsluiting aan te wijzen voor de kennisneming van hun onderlinge geschillen die ontstaan naar aanleiding van de door Rapid hier te lande verrichte diensten. Toegevoegd wordt verder, eveneens ten overvloede, dat Rapid bij het bezigen van de argumenten a en b ervan uitgaat dat het recht van Hongkong de agency agreement beheerst. Dat, door IFL betwiste, uitgangspunt - dat haaks staat op Rapids als juist aangemerkte standpunt in de eerste aanleg dat de agency overeenkomst moet worden beoordeeld naar Nederlands recht - is hiervoor bij de bespreking van grief 3 verworpen. Als gezegd ligt in de verwijzing onder het kopje ‘Duration’ naar het cognossement niet een rechtskeuze voor het recht van Hongkong op de agentuurverhouding besloten. Aanwijzingen dat de verwijzing niettemin wel als zodanig is bedoeld ontbreken in het betoog van Rapid. Ook overigens biedt dat betoog geen aanknopingspunten voor een uitleg van de agency agreement waarbij - aan de hand van art. 3 (en/of 4) Rome I-Vo en/of (art. 5, 6 en 9 van) het Vertegenwoordigingsverdrag - wordt uitgekomen op de toepasselijkheid van het recht van Hongkong op de door Rapid hier te lande uitgevoerde diensten.
Het nieuwe standpunt - kort gezegd erop neerkomend dat Rapid niets met IFL te maken had - is bovendien onjuist. Rapid gaat onder meer eraan voorbij dat zij de documentatie, waarmee zij de zendingen in ontvangst kon nemen, niet van EBike, maar van de IFB-agent van IFL had gekregen, met de instructie hoe daarmee te handelen. Aan de vermelding in de namens IFL afgegeven cognossementen ‘For delivery of the goods apply to Rapid Logistics’ kan redelijkerwijs niet de betekenis worden toegekend dat Rapid, in strijd met die instructie, de zendingen, zonder cognossementspresentatie, als ontvangstexpediteur van de consignee E-Bike in ontvangst kon nemen of kon vrijgeven; de vermelding is zijdens de vervoerder opgenomen om aan de consignee, E-Bike, duidelijk te maken bij wie deze terecht kon voor ontvangst tegen presentatie van het cognossement. De vermelding duidt er dus juist op dat Rapid de delivery agent van IFL was en dat aflevering via Rapid geschiedde.
6.De grieven in het incidenteel appel
EUR 72,88 (ex BTW)
7.Tot besluit
.