Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, ontving in 2019 bruto IoNE uit haar Braziliaanse deelneming. De Inspecteur corrigeerde de toegekende tax sparing credit van 25% naar 20%, stellende dat IoNE als interest kwalificeert volgens het belastingverdrag Nederland-Brazilië. De Rechtbank stelde echter vast dat IoNE, gelet op de kenmerken en de Nederlandse fiscale kwalificatie, als dividend moet worden aangemerkt voor dat jaar en kende de hogere tax sparing credit toe.
In hoger beroep bevestigde het Hof deze uitspraak. Het Hof oordeelde dat de kwalificatie van IoNE volgens het Braziliaanse recht als interest niet doorslaggevend is, omdat de Nederlandse belastingwetgeving IoNE als inkomsten uit aandelen kwalificeert. Het MAP-besluit uit 2022, waarin IoNE als interest wordt aangemerkt, is niet van toepassing op het jaar 2019 en kan niet met terugwerkende kracht worden toegepast.
Het Hof concludeerde dat IoNE niet gelijkgesteld kan worden met interest in de zin van het belastingverdrag, mede vanwege verschillen in fiscale behandeling in Brazilië. Hierdoor heeft belanghebbende recht op de hogere tax sparing credit van 25%. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd aan hem opgelegd.