ECLI:NL:GHDHA:2026:11

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
200.343.941/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomst en vergunningplichtige advisering door een tussenpersoon

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Den Haag is behandeld, gaat het om een hoger beroep van Dexia Nederland B.V. tegen een uitspraak van de kantonrechter in Rotterdam. De kern van de zaak betreft een effectenleaseovereenkomst die Dexia heeft gesloten met een consument, hier aangeduid als [geïntimeerde]. De vraag die centraal staat is of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door een effectenleaseovereenkomst aan te bieden via een tussenpersoon die niet beschikte over de vereiste vergunning om financieel advies te geven. Het hof heeft vastgesteld dat de tussenpersoon, [tussenpersoon], daadwerkelijk advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] en dat Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. Dit leidt tot de conclusie dat Dexia aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden. Het hof bekrachtigt de eerdere uitspraak van de kantonrechter, die Dexia heeft veroordeeld tot schadevergoeding aan [geïntimeerde]. De proceskosten worden ook aan Dexia opgelegd, aangezien zij als in het ongelijk gestelde partij wordt beschouwd. Het hof heeft de uitspraak op 20 januari 2026 gedaan, waarbij het arrest uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.941/01
Zaaknummer rechtbank: : 9918216 EL 22-51
Arrest van 20 januari 2026
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2023 (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten producties van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomst [contractnummer] (hierna ook wel: de effectenleaseovereenkomst). Deze overeenkomst is tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via de tussenpersoon [tussenpersoon] . Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan onder de effectenleaseovereenkomst en dat [geïntimeerde] niets meer van haar te vorderen heeft, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.3.
[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd en gevorderd dat de kantonrechter Dexia in de proceskosten veroordeeld.
3.4.
De kantonrechter heeft de vordering van Dexia toegewezen onder de voorwaarde dat Dexia de schade van [geïntimeerde] vergoedt als onder rov. 4.15 van het bestreden vonnis weergegeven. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog onvoorwaardelijk toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Grief I en II van Dexia lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof zal in de navolgende overwegingen beide grieven tezamen beoordelen.
4.6.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten (HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing)).
4.7.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “II.4 Advisering door de tussenpersoon” in zijn conclusie van antwoord. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] was bekend met een bij naam genoemde adviseur van [tussenpersoon] . Deze adviseur had namelijk in het verleden de hypotheek voor [geïntimeerde] in orde gemaakt. In 1999 werd [geïntimeerde] gebeld door de adviseur. Met de adviseur is besproken dat [geïntimeerde] een krediet bij Levob had afgesloten om zijn auto te kunnen betalen. De adviseur vertelde dat hij een manier wist om de lasten van [geïntimeerde] te verlagen. Hierop is een afspraak gemaakt op het kantoor van [tussenpersoon] . Tijdens het eerste gesprek is de financiële situatie van [geïntimeerde] besproken, meer specifiek zijn hypotheek. De adviseur constateerde dat er overwaarde op de woning van [geïntimeerde] zat. Volgens de adviseur was het beter om daarom het krediet bij Levob in de hypotheek op te nemen, omdat deze een lager rentepercentage had. De adviseur adviseerde een hypotheek van ƒ 355.000,- af te sluiten, gelet op de hypothecaire situatie van [geïntimeerde] . Hiermee kon het krediet bij Levob worden afgelost. Hiernaast is [geïntimeerde] door de adviseur van [tussenpersoon] geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de adviseur van [tussenpersoon] namelijk geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . Hiermee zou [geïntimeerde] extra vermogen kunnen opbouwen en met de te ontvangen dividenden zouden de extra maandelijkse lasten van de verhoogde hypotheek betaald kunnen worden. Dit klonk goed in de oren van [geïntimeerde] , omdat dit aansloot bij zijn financiële wens om extra vermogen op te bouwen. De adviseur heeft [geïntimeerde] er ook op gewezen dat een klein bedrag uit de hypotheek zou overblijven, waarmee [geïntimeerde] een grote reis zou kunnen maken met zijn toenmalige partner, wat [geïntimeerde] graag wilde. [geïntimeerde] heeft het advies van de adviseur opgevolgd. Onder deze feiten en omstandigheden is de effectenleaseovereenkomst aangegaan, aldus [geïntimeerde] .
4.8.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [geïntimeerde] en de overgelegde producties niet volgt dat [tussenpersoon] vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [geïntimeerde] . Dexia wijst op de verlopen tijdsduur, en op het feit dat afnemer al geruime tijd juridische bijstand genoot, voordat hij voor het eerst de stelling heeft ingenomen dat er geadviseerd is. Dexia meent dat deze omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing vormen voor de onjuistheid van de stellingen van [geïntimeerde] . Dexia stelt dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat er inmiddels overvloedig bewijs is dat zij veelvuldig een geheel andere werkwijze hanteerden die niet is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van [tussenpersoon] bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.9.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia in 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.10.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen afnemers slechts zelden in algemene zin pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE, thans AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen - pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
4.11.
Meer concreet heeft Dexia in dit geval nog aangevoerd dat het betoog van [geïntimeerde] lacunes vertoont. Zo heeft [geïntimeerde] niet verklaard waarom de medewerker van [tussenpersoon] met hem contact opnam in 1999. Verder heeft [geïntimeerde] niet toegelicht hoe de medewerker van [tussenpersoon] tot de hoogte van de nieuw af te sluiten hypotheek en de vooruitbetaling voor de effectenleaseovereenkomst is gekomen. Tenslotte heeft [geïntimeerde] in deze procedure stellingen ingenomen die aanzienlijk afwijken van die welke door hem in een andere procedure bij conclusie van antwoord van 24 juli 2014 zijn ingenomen. Deze tegenstijdigheden zitten hem in het volgende. In deze procedure in 2014 heeft [geïntimeerde] gesteld dat hijzelf contact opzocht met [tussenpersoon] , maar in de onderhavige procedure verklaart [geïntimeerde] dat dit juist andersom was. Waar [geïntimeerde] in 2014 stelde dat hij de woning wilde verbouwen en een gezin wilde stichten, verklaart hij nu dat hij vermogen wilde opbouwen om een grote reis met zijn partner te kunnen maken. Als laatste heeft [geïntimeerde] in 2014 verklaard dat het advies luidde om de hypotheek te verhogen om zo de effectenleaseovereenkomsten te financieren, maar in dit hoger beroep stelt [geïntimeerde] juist dat deze verhoging nodig was voor de aflossing van de auto en het restant bestemd was voor de vooruitbetaling van de effectenleaseovereenkomst en de grote reis. Volgens Dexia doen deze tegenstrijdigheden afbreuk aan de geloofwaardigheid van [geïntimeerde] en zijn stellingen dat hij vergunningplichtig is geadviseerd, aldus nog steeds Dexia.
4.12.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] zijn besproken, (ii) [geïntimeerde] de financiële doelen aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt en (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde] , en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat [tussenpersoon] met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen maar hen ook bij de tussenpersoon op kantoor ontvingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.13.
Omdat Dexia de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, zal het hof haar niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Zij heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van [tussenpersoon] , met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen. Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), snijdt geen hout. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde] zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat [tussenpersoon] vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
4.15.
Anders dan Dexia met grief I (en II) betoogt, volgt uit het voorgaande dat [geïntimeerde] voldoende heeft onderbouwd dat in zijn geval sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Waar Dexia aanvoert dat in het geval van [geïntimeerde] niet is voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing heeft geformuleerd om te kunnen spreken over ‘vergunningplichtige advisering’, faalt dit verweer met verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen. Voor zover Dexia aanvoert dat in de conclusie van antwoord van 24 juli 2014 (in een andere procedure) door [geïntimeerde] een voorstelling van zaken is gegeven die op onderdelen afwijkend is van wat hij in deze zaak heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de discrepanties waar Dexia op wijst niet van zodanige aard zijn dat deze afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van wat [geïntimeerde] in deze zaak naar voren heeft gebracht over wat de gang van zaken is geweest bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst en de betrokkenheid van de tussenpersoon daarbij.
Wetenschap Dexia
4.16.
Ter zake van de wetenschap van Dexia (grief III) heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde] .
4.17.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door [tussenpersoon] werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat in de naam van [tussenpersoon] tot uitdrukking komt dat zij (financieel) advies gaf. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.18.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
4.19.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht voorwaardelijk wordt toegewezen. Omdat de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze vierde grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Hoogte fiscaal voordeel
4.20.
[geïntimeerde] stelt bij memorie van antwoord dat de hoogte van het fiscaal voordeel, zoals opgenomen in het financieel overzicht van Dexia, onjuist is, omdat van een onjuiste belastingschijf is uitgegaan voor wat betreft de aftrekbare rente. Dexia is namelijk uitgegaan van een percentage van 50% en daarmee van een onjuiste belastingschijf volgens [geïntimeerde] . Onder verwijzing naar de conclusie van dupliek heeft [geïntimeerde] gesteld dat het juiste percentage 37,05% over 1999 bedraagt en 37,95% over 2000. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt de producties G (“Biljetten van een Proces 1999”) en H (“Belastingaanslag 2000”) bij conclusie van dupliek overgelegd. De kantonrechter heeft in overweging 4.15 van het bestreden vonnis geen oordeel over de hoogte van het fiscaal voordeel gegeven, anders dan dat partijen zelf in staat zijn de hoogte van het fiscaal voordeel te berekenen. [geïntimeerde] verzoekt het hof, mede ter voorkoming van verdere discussie tussen partijen, hier alsnog uitspraak over te doen.
4.21.
Het hof stelt voorop dat wat door [geïntimeerde] naar voren is gebracht over het bedrag dat is genoten als fiscaal voordeel voor de beoordeling van de grieven van Dexia niet van belang is. Het hof overweegt dat hij erop vertrouwd dat partijen zullen afrekenen met inachtneming van het werkelijk door [geïntimeerde] genoten fiscale voordeel. Voor zover Dexia zich ten onrechte heeft gebaseerd op een belastingpercentage van 50%, waar dit een belastingpercentage van 37,05% over 1999 en 37,95% over 2000 zou hebben moeten zijn, dient het bedrag dat als genoten fiscaal voordeel is berekend in zoverre nog te worden gecorrigeerd.
Conclusie
4.22.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet onvoorwaardelijk kan worden geoordeeld dat Dexia niets meer verschuldigd is aan [geïntimeerde] en dat zij de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden.
4.23.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.15 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
4.24.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.25.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia (grief V) faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.821,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 178,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, E.I. Mentink en R.F. Groos en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.