In deze zaak, die voor het Gerechtshof Den Haag is behandeld, gaat het om een hoger beroep van Dexia Nederland B.V. tegen een uitspraak van de kantonrechter in Rotterdam. De kern van de zaak betreft een effectenleaseovereenkomst die Dexia heeft gesloten met een consument, hier aangeduid als [geïntimeerde]. De vraag die centraal staat is of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door een effectenleaseovereenkomst aan te bieden via een tussenpersoon die niet beschikte over de vereiste vergunning om financieel advies te geven. Het hof heeft vastgesteld dat de tussenpersoon, [tussenpersoon], daadwerkelijk advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] en dat Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. Dit leidt tot de conclusie dat Dexia aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden. Het hof bekrachtigt de eerdere uitspraak van de kantonrechter, die Dexia heeft veroordeeld tot schadevergoeding aan [geïntimeerde]. De proceskosten worden ook aan Dexia opgelegd, aangezien zij als in het ongelijk gestelde partij wordt beschouwd. Het hof heeft de uitspraak op 20 januari 2026 gedaan, waarbij het arrest uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.