Verzoekster heeft in een belastingzaak een verzoek tot wraking ingediend tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Den Haag, omdat het hof haar verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling had afgewezen terwijl zij wegens ziekte niet aanwezig kon zijn.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld zonder zitting en geoordeeld dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Volgens vaste jurisprudentie geldt een vermoeden van onpartijdigheid van rechters, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. Dit was niet het geval.
De wrakingskamer benadrukte dat rechterlijke beslissingen over uitstel of aanhouding van zittingen niet als wrakingsgrond kunnen dienen en dat ook de motivering van dergelijke beslissingen niet snel aanleiding geeft tot wraking, tenzij deze onbegrijpelijk of als blijk van vooringenomenheid kan worden opgevat. De medische verklaring van verzoekster was onvoldoende onderbouwd en de klachten dateren uit eerdere jaren.
Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en is het hof bij zijn eerdere beslissing gebleven. De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. Muilwijk-Schaaij wegens verhindering van de voorzitter.