Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 16 april 2026
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Wettelijk kader
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, een onderwijsinstelling die middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet algemeen volwassenonderwijs aanbiedt, verkreeg een eeuwigdurend recht van erfpacht op een onroerende zaak van de gemeente. Zij betaalde overdrachtsbelasting en maakte aanspraak op de onderwijsvrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel k, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr).
De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, omdat de vrijstelling niet van toepassing was door een onjuiste verwijzing in de wetstekst naar een inmiddels vervallen wetsartikel. Belanghebbende ging in hoger beroep en stelde dat deze omissie haar niet kon worden tegengeworpen en dat de wetgever de vrijstelling ook wilde toepassen op situaties waarin de gemeente de oorspronkelijke bouwheer was.
Het hof oordeelde dat de vrijstelling niet van toepassing is omdat de verkrijging niet plaatsvond in het kader van een bestuursoverdracht zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). De omissie in de wetstekst was op het moment van verkrijging nog niet hersteld en er was geen terugwerkende kracht. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat mbo-instellingen niet gelijk zijn aan instellingen in het primair, voortgezet of speciaal onderwijs, waarvoor gemeenten een wettelijke huisvestingsplicht hebben.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De onderwijsvrijstelling overdrachtsbelasting is niet van toepassing op de verkrijging van het erfpachtrecht door belanghebbende; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.