Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1573

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
BK-25/470
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 IBArt. 3.25 IBArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArtikel 1 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2019 wegens voorraadverlies en belastingrente

Belanghebbende, een ondernemer met vier nachtwinkels, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019 en de daarbij behorende belastingrente. De Inspecteur had het belastbaar inkomen verhoogd vanwege niet geaccepteerde afwaardering van de voorraad en leningen. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd, maar het Gerechtshof vernietigt deze uitspraak en de uitspraak op bezwaar.

Het geschil spitst zich toe op de juistheid van de afwaardering van de voorraad en de berekening van de belastingrente. Belanghebbende stelde voorraadverlies door diefstal en ongedierte, ondersteund met foto’s en registraties van 106 bezoeken aan de milieustraat. De Inspecteur betwistte de omvang van het voorraadverlies vanwege onvoldoende controleerbaarheid van de administratie en de inhoud van de afgevoerde voorraad.

Het Hof acht het aannemelijk dat er daadwerkelijk voorraadverlies was dat groter is dan het door de Inspecteur toegestane bedrag van €35.824, maar vanwege het gebrek aan controleerbaarheid stelt het het voorraadverlies in goede justitie vast op €175.000. De aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd tot een belastbaar inkomen van €23.527 negatief. De belastingrente wordt aangepast naar aanleiding van deze vermindering. Tevens veroordeelt het Hof de Inspecteur in de proceskosten en vergoedt het griffierecht aan belanghebbende.

Uitkomst: Het Gerechtshof vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een belastbaar inkomen van €23.527 negatief en past de belastingrente dienovereenkomstig aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/470

Uitspraak van 25 maart 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.T.P. Nefkens)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 april 2025, nummer SGR 24/2361.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 399.591 (de aanslag IB/PVV 2019). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 19.326 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019 en de beschikking belastingrente. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 157.020 en de beschikking belastingrente gewijzigd naar een belastingrente van € 6.853.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op de aanslag te verminderen overeenkomstig hetgeen in deze
uitspraak is bepaald;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op
bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 1.055,50 (€ 602 voor het bezwaar + € 453,50 voor het beroep);
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden. verklaart het beroep ongegrond.”
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 28 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende drijft onder de handelsnaam ‘ [naam] ’ een onderneming in de vorm van een eenmanszaak en exploiteerde in het jaar 2019 daarmee vier nachtwinkels.
2.2.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2019 aangifte IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 209.206 negatief.
2.3.
Bij brief van 6 januari 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de fiscale oudedagreserve (FOR), de langlopende schulden, de huisvestingskosten, de buitengewone lasten, het verloop en de vernietiging van voorraden en de investeringsaftrek te verstrekken. Ook heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om de balans en de winst- en verliesrekening toe te lichten.
2.4.
Naar aanleiding van de onder 2.3 bedoelde brief door partijen gevoerde correspondentie is de Inspecteur afgeweken van de aangifte IB/PVV 2019. De Inspecteur heeft het inkomen uit werk en woning op de volgende onderdelen verhoogd:
FOR (onttrekking) € 16.048
Niet geaccepteerde afwaardering voorraad € 358.225
Niet geaccepteerde langlopende leningen € 319.764
Niet geaccepteerde kortlopende lening +
€ 21.146
Totale afwijking € 715.183
2.5.
De Inspecteur heeft met inachtneming van de onder 2.4 bedoelde afwijkingen de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd:
Aangegeven winst was € - 236.257
Bij: correctie
€ 715.183
€ 478.926
Af: zelfstandigenaftrek € - 7.280
Af: MKB winstvrijstelling
€ - 66.031
Belastbare winst € 405.615
Inkomen uit eigen woning
€ - 6.024
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 399.591
2.6.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019 en de beschikking belastingrente. Naar aanleiding van het bezwaarschrift is tussen belanghebbende en de Inspecteur correspondentie gevoerd.
2.7.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van de hiervoor bedoelde correspondentie de volgende stukken aan de Inspecteur verstrekt:
- orderovereenkomst Tesla;
- leningovereenkomsten familie;
- suppletieaangifte omzetbelasting 2019;
- loonjournaalpost 2019;
- registratie gemeentewerf/afvalverwerking [woonplaats] 2019;
- toelichting op de balans;
- afschrijvingsstaat;
- documentatie [Bank] gerelateerd aan de Tesla.
2.8.
Tussen belanghebbende en de Inspecteur heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Belanghebbende heeft tijdens dit hoorgesprek de volgende stukken aan de Inspecteur verstrekt:
- voorraadlijsten van vier winkels per 31/12/2019;
- grootboekrekening van de voorraad;
- een map met foto’s van goederen waarvan verklaard is dat deze zijn vernietigd;
- bewijs waaruit de leningovereenkomst voor de Tesla kan worden afgeleid;
- overzicht van kosten van lokale heffingen.
2.9.
De Inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij belanghebbendes bezwaar gedeeltelijk toegewezen. De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2019 als volgt verminderd en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig gewijzigd:
Eerder vastgesteld belastbaar inkomen
uit werk en woning € 399.591
Af: voorraadverlies € 35.824
Af: herziening omzetcorrectie langlopende
schuld € 146.262
Af: herziening omzetcorrectie lening
leaseauto € 99.974
Bij: MKB-winstvrijstelling
€ 39.489
Totale correctie
€ 242.571
Nieuw vastgesteld belastbaar inkomen
uit werk en woning
€ 157.020

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder.
“9. Verweerder heeft in bezwaar een voorraadverlies in aanmerking genomen van € 35.824 (10% van € 358.225). De bewijslast dat het voorraadverlies hoger is geweest dan het door verweerder in aanmerking genomen bedrag ligt bij eiser. Eiser heeft daartoe in beroep aangevoerd dat de totale voorraad op 1 januari 2019 € 546.231 was en op 31 december 2019 was deze nog € 187.995. In bezwaar heeft eiser ook voorraadlijsten overgelegd van de vier supermarkten. Deze lijsten vermelden de volgende voorraad per winkel op 31 december 2019: € 76.989,10, € 26.875, € 21.441 en € 62.690,75. Ook heeft eiser in bezwaar foto’s overgelegd waarop vuilniszakken zijn te zien en, naar eiser stelt, de voorraad die is afgevoerd. Verder heeft eiser een registratielijst overgelegd van het aantal bezoeken aan de gemeentewerf. Eiser heeft in 2019 in totaal 106 keer de gemeentewerf bezocht.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat het voorraadverlies groter is geweest dan het bedrag dat reeds door verweerder in aanmerking is genomen. Voor de voorraad per 1 januari 2019 is geen bewijs overgelegd. Verder zijn tussentijdse voorraadmutaties door verkopen niet te volgen aangezien de kassasystemen niet aan de administratie zijn gekoppeld. De voorraad wordt pas aan het eind van het jaar bijgewerkt na een inventarisatie. Aldus kan niet aan de hand van de administratie worden vastgesteld welke voorraadmutaties er zijn geweest in 2019. De in bezwaar overgelegde foto’s en de registratie van het aantal bezoeken aan de gemeentewerf zijn onvoldoende controleerbaar. Daaruit blijkt niet dat het gaat om afgevoerde voorraad.
11. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij alsnog een dotatie aan de FOR wil doen. Verweerder heeft verklaard dat deze dotatie in aanmerking kan worden genomen nu de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat. De correctie van de FOR van € 16.048 komt daarmee te vervallen en het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd.
12. Verder heeft eiser gesteld dat de kostenvergoeding voor het bezwaar te laag is vastgesteld. Hij verwijst daarbij naar de conclusie van A-G Koopman van 1 maart 2024.[1] Deze klacht slaagt.
13. De Hoge Raad heeft op 12 juli 2024 arrest gewezen in de zaak met nummer 23/03218[2] en daarin overwogen dat het verschil in waarde per punt tussen enerzijds belastingzaken en anderzijds overige bestuursrechtelijke zaken, zoals genoemd in de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder B2, mogelijk in strijd is met artikel 1 van Pro de Grondwet. Aldus moet met ingang van dat arrest voor de kosten van rechtsbijstand in belastingzaken voor de bezwaarfase worden uitgegaan van de hogere vergoeding per punt die geldt voor overige bestuursrechtelijke zaken. De rechtbank zal alsnog de hogere waarde per punt toepassen. De kostenvergoeding voor het bezwaar dient dan te worden vastgesteld op € 1.194 (2 punten met een waarde per punt van € 597; tarief geldend ten tijde van de uitspraak op bezwaar). Verweerder heeft reeds een kostenvergoeding toegekend van € 592 (2 x € 296). Eiser heeft dan nog recht op een kostenvergoeding voor het bezwaar van € 602.
14. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de belastingrente op onjuiste wijze is berekend. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd en ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.
(…)
[1] Conclusie A-G Koopman van 1 maart 2024, zaaknummer nr. 23/03218, ECLI:NL:PHR:2024:235.

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2019 op het juiste bedrag heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de afwaardering van de voorraad terecht en tot en juist bedrag in de winst is gecorrigeerd en of de belastingrente op het juiste bedrag is vastgesteld. De overige correcties zijn niet in geschil.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van zowel de uitspraak van de Rechtbank als de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de aanslag IB/PVV 2019 en de belastingrente, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 205.724 negatief en tot een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente tot nihil. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank
.

Beoordeling van het geschil

Aanslag IB/PVV
5.1.
Voorop moet worden gesteld dat de bewijslast met betrekking tot het verlies in verband met de afwaardering van de voorraad op belanghebbende rust.
5.2.
Belanghebbende stelt dat hij bij de
retailinkopen doet en dat hij daarbij gebruikmaakt van aanbiedingen waardoor de producten die hij inkoopt relatief kort houdbaar zijn. Hij heeft ter zitting voorts geloofwaardig verklaard dat sprake is geweest van voorraadverlies vanwege de aanwezigheid van ongedierte en vanwege diefstal. Voorts stelt belanghebbende, en wordt door de Inspecteur niet betwist, dat hij gedurende het jaar 2019 106 keer naar de milieustraat in [woonplaats] is gereden. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij daartoe zijn Volkswagen Caddy vollaadt met voorraad die moet worden afgevoerd. Tijdens het hoorgesprek heeft belanghebbende een ordner met 600 tot 700 pagina’s foto’s aan de Inspecteur overgelegd waarop onder meer vuilniszakken te zien zijn waarin volgens belanghebbende de weg te gooien voorraadartikelen zaten.
5.3.
De Inspecteur heeft erop gewezen dat het verloop van de voorraad slechts is te controleren door middel van vergelijking van de begin- en eindvoorraad. Tussentijdse mutaties zijn daarmee niet inzichtelijk. Uit de vergelijking van de begin- en eindvoorraad kan niet wordt afgeleid dat een voorraadvernietiging heeft plaatsgevonden. Aangezien de kassa's niet gekoppeld zijn aan de voorraadadministratie, valt ook niet af te leiden welke producten en hoeveel per soort uit de voorraad gedurende 2019 zijn verkocht en tegen welke prijs. Dit is door belanghebbende ter zitting betwist. Eveneens blijkt niet welke goederen en hoeveel per soort in 2019 zijn gekocht en tegen welke prijs deze in de voorraad zijn opgenomen, aldus de Inspecteur. Evenmin blijkt of en zo ja, welke producten en hoeveel per soort in 2019 zijn opgeruimd en vernietigd. Hij concludeert hieruit dat uit de administratie niet kan worden afgeleid of aannemelijk gemaakt dat er tussentijds gedurende het boekjaar, producten uit de voorraad zijn verwijderd en vernietigd. Uit de administratie kan ook niet worden afgeleid, voor zover er producten zijn vernietigd dat deze producten een inkoopwaarde hadden van € 358.225. Voorts heeft hij erop gewezen dat uit de bezoeken aan de milieustraat in [woonplaats] niet kan worden afgeleid wat is afgevoerd en voor hem niet is te controleren wat er in de vuilniszakken heeft gezeten die belanghebbende bij de milieustraat in [woonplaats] heeft afgeleverd. De Inspecteur heeft uit coulance een voorraadverlies van € 35.824 (10% van € 358.225) in aftrek toegelaten, terwijl voor supermarkten volgens de Inspecteur de cijfers op 1,4 tot 1,6 procent liggen.
5.4.
Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan het hele voorraadverlies van € 358.225 aannemelijk kan worden geacht. Het Hof acht het echter wel aannemelijk dat in het jaar 2019 sprake is geweest van een voorraadverlies en dat dat voorraadverlies groter is geweest dan het door de Inspecteur in aftrek toegelaten bedrag van € 35.824 (10 percent van € 358.225). Het Hof kent hierbij belang toe aan de 106 bezoeken die belanghebbende in 2019 heeft gebracht aan de milieustraat te [woonplaats] , de foto’s die hij daarvan heeft overgelegd tijdens het hoorgesprek en de toelichting die hij daarop heeft gegeven ter zitting. Wegens het gebrek aan controleerbaarheid van de voorraadadministratie en de inhoud van hetgeen tijdens de 106 bezoeken aan de milieustraat te [woonplaats] is afgevoerd kan niet worden bepaald wat de daadwerkelijke hoogte is van het voorraadverlies. Het Hof stelt het voorraadverlies, gelet op de voornoemde omstandigheden, in goede justitie vast op € 175.000. Bij dit oordeel heeft het Hof mee laten wegen dat de Inspecteur de waarde van de (begin- en) eindvoorraad niet betwist. Hij erkent daarmee dat de voorraad ter waarde van € 358.225 niet meer tot de onderneming behoort, terwijl hij geen andere bestemming van de voorraad heeft gesteld, noch enig onderzoek heeft verricht naar, bijvoorbeeld onttrekking voor privégebruik of verkoop van voorraad buiten de boeken om, feiten en omstandigheden waarvoor de Inspecteur de bewijslast zou hebben.
5.5.
Het voorgaande brengt mee dat het belastbaar inkomen uit werk en woning in het onderhavige jaar wordt vastgesteld op € 23.527, als volgt opgebouwd:
Aangegeven winst
-/- € 236.257
€ 0
Correctie voorraadverlies
€ 183.225
Correctie leningen [2]
€ 94.674
€ 41.642
Zelfstandigenaftrek
-/-
€ 7.280
€ 34.362
MKB winstvrijstelling (14%)
-/-
€ 4.811
€ 29.551
Inkomen uit eigen woning
-/-
€ 6.024
€ 23.527
.
Belastingrente
5.6.
Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte belastingrente geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Aangezien de aanslag wordt verminderd, dient de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Er is aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 2.366:
- € 1.432 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (1 punt beroepschrift en 1 punt zitting à € 934 x factor gewicht van de zaak 1) zijnde € 1.868, nu het Hof wél tot het oordeel komt dat de sprake is van een onrechtmatigheid aan de zijde van de Inspecteur; en
- € 934 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt hogerberoepschrift à € 934 x factor gewicht van de zaak 1).
6.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep geheven griffierecht van € 143 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens voor zover die ziet op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de vergoeding van het griffierecht;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.527;
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak van de rechtbank en bevestigt de uitspraak voor het overige;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.366; en
- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 143 aan griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, P.J.J. Vonk en W.H.A. Kannekens in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout M.J.M. van der Weijden

De beslissing is op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Door de Inspecteur toegestaan voor de Rechtbank.
2.€ 319.764 + € 21.146 (aanslag) -/- € 146.262 -/- € 99.974 (uitspraak op bezwaar) = € 94.674.